17 maart 2011

Recensie: Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen – Georges Perec

Recensie door: Albert Hogeweij

Onlangs verscheen een in een bescheiden formaat gestoken en fraai ogend boekje met de lange titel Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen van de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982). Kort gezegd handelt het over het labyrint waarin je al gauw terecht kunt komen wanneer je hebt besloten werk te maken van het voornemen je chef om loonsverhoging te vragen. ’t Zou geschreven kunnen zijn in opdracht van een werkgeversvereniging, want de moed om een dergelijk voornemen in praktijk te brengen zal de gemiddelde loonslaaf na lezing danig in de schoenen kunnen zinken. En toch is het geen deprimerende lectuur. Integendeel! Het ademt een luchtige, montere toon als een film van Jacques Tati.

Het boekje bestaat uit een lange, leestekenloze zin, waarin de alwetende verteller de lezer, die met u wordt aangesproken, de hoofdpersoon laat zijn. Het zet als volgt in: ‘Nadat u rijpelijk hebt nagedacht nadat u al uw moed bijeen hebt geraapt besluit u bij uw afdelingschef langs te gaan om opslag te vragen’. Eenvoudiger kan het niet. Maar al gauw ontstaan de problemen. Want de afdelingschef kon wel eens net even niet in zijn kantoor zijn, en dan zit er niets anders op dan één van de wijdvertakte mogelijkheden te kiezen die zich als alternatief aandienen. En de route die daarmee zal worden afgelegd volgt het stroomschema dat ten grondslag heeft gelegen aan dit verhaal.

Om zo’n stroomschema als uitgangspunt te kiezen voor een verhaal was typerend voor Oulipo (ouvroir de littérature potentielle, ofwel: werkplaats voor potentiële literatuur) waar Perec zich in 1967 bij had aangesloten. Een clubje wiskundigen en schrijvers dat, aangevoerd door Raymond Queneau, literaire procédés uitdacht met allerlei hindernissen en obstakels, vaak gerelateerd aan mathematische modellen, die de creativiteit moesten stimuleren.

Zijn onderdompeling in dit collectief pakte voor Perec weldadig uit. Hij zag de impasse waarin hij als beginnend schrijver was terechtgekomen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het wezen van de door Oulipo ontwikkelde literaire modellen draait om de ‘contrainte’, de (vorm)dwang. Perec paste dit bijvoorbeeld toe in zijn roman La Disparition uit 1969. Een verhaal rondom de verdwijning van de letter ‘e’. Die dan ook in het meer dan 300 pagina’s tellend boek niet voorkomt. (Dat dit procédé een metafoor kan zijn voor het lot van de Joden in WO II, waarvoor ook de Joodse familie van Georges Perec, een van de klinker ‘e’ vergeven naam, niet gespaard bleef, is iets dat op de achtergrond resoneert).

Guido van de Wiel nam vervolgens namens De Arbeiderspers de uitdaging aan om dit in het Nederlands te vertalen, hetgeen hem lukte onder de titel ’t Manco. Op zijn beurt revancheerde Perec zich namens dezelfde klinker met het schrijven van Les Revenentes, in welke tekst de ‘e’ de enige gebruikte klinker is. Dergelijke trucjes mogen wat steriel en geforceerd ogen, maar dan is er buiten de speelsheid van schrijvers als Perec en Queneau gerekend. Van Perecs meesterwerk uit 1978 Het leven een gebruiksaanwijzing waarbij onder het mom van een boedelbeschrijving van een oud appartementengebouw een rijk geschakeerd tapijt van honderden verhalen wordt geweven waarin uiteenlopende personages in allerlei verschillende stijlen ten tonele worden gevoerd, kan men toch moeilijk beweren dat het geforceerd, fantasie-arm of bloedeloos geschreven is. Daarbij moet gezegd dat het ook heel erg in de geest van Oulipo was, om stiekem speelse afwijkingen van de contrainte het verhaal binnen te smokkelen! En het is de vraag of in Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen, dat in 1968 in een obscuur Frans tijdschrift werd gepubliceerd, niet ook een beetje wordt gesteggeld. Want laat Perec de hoofdpersoon, de arme kantoorklerk die de als u aangesproken lezer verondersteld wordt te zijn, werkelijk alle denkbare zijpaden van het stroomschema doorlopen? Ach, om het avontuurlijke verhaal is dit boekje niet geschreven. Het is de stijl die het lezen ervan tot een waar genoegen maakt. Men leest het plezier eraan af waarmee het geschreven is. Eigenlijk is de stijl de ware hoofdpersoon. Uiteindelijk heeft Perec als schrijver een zelfde krachttoer moeten volbrengen als de hoofdpersoon om zich een weg te banen door het doolhof. De frisse vertaling is goed getroffen. De speelse woordkeuze neemt de bureaucratische rompslomp af en toe aardig op de korrel. Ondanks ontbreken van leestekens is de tekst overal even leesbaar en helder gebleven.

Perec liet zich er op voorstaan nooit tweemaal dezelfde type tekst te schrijven. En hoewel in dit werkje voortdurend eenzelfde route hernomen moet worden, wordt die regel ook hier niet geschonden. Het zijn variaties op een thema, iedere keer net even anders verwoord. Zo ziet de hoofdpersoon zich dikwijls gedwongen ‘een rondgang te maken langs de verschillende afdelingen die samen het geheel of een deel vormen van de organisatie die u in loondienst heeft’. Maar iedere keer wordt dit anders omschreven. Bijvoorbeeld: ‘(…) van de organisatie die u uitbuit’ of: ‘(…) van de trust waar u voor een hongerloon de mooiste jaren van uw leven verdoet’ of: ‘(…) waar u het gros van uw tijd verbeuzelt’ enz. Dit verleent het verhaal een grote souplesse. En de vaak terugkerende gemeenplaats: ‘we zullen aannemen om het eenvoudig te houden want je moet het altijd eenvoudig houden’ in een verhaal waarin iedere poging om de chef te spreken te krijgen steeds uitzichtlozer lijkt te worden, kruidt het met milde ironie. Het geheel maakt dan ook eerder een hilarische, dan wanhopige indruk, al besef je aan het eind dat de factor tijd intussen ook zijn werk heeft gedaan. De dwaaltocht door het ondoorgrondelijke bedrijf mag Kafkaësk lijken – Franz Kafka was een van de favoriete schrijvers van Perec – , K. de protagonist van Kafka’s boek Het Slot, zou de problematiek van zijn bestaan makkelijker het hoofd hebben kunnen bieden als hij Perec als geestelijk vader had gehad.

Al met al kan men stellen dat dit een uiterst onderhoudende tekst is, die terecht en op loffelijke wijze door Rokus Hofstede voor het Nederlandse taalgebied ontsloten is. De enige lezer die zich voor het luttele bedrag van € 12,50 bekocht mag voelen, is hij die werkelijk gehoopt had tips te krijgen om zijn baas op succesvolle wijze opslag af te smeken.

 
 
Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen

Auteur: Georges Perec
Vertaling: Rokus Hofstede
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Prijs: €12,50

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant