Rui Cóias – Laat de stilte

Taal die bezinken moet en verwondering oproept

Recensie door Ingrid van der Graaf

De Portugese dichter Rui Cóias (1966, Lissabon) publiceerde sinds 2000 drie dichtbundels in Portugal, waarvan een keuze uit die bundels in tweetalige edities in België en Frankrijk zijn verschenen. Zijn derde bundel Europa, bevat bewerkingen van gedichten uit zijn eerste twee bundels en werd door uitgeverij Vleugels uitgegeven in een tweetalige editie, Laat de stilte. Vertaler Harrie Lemmens voorzag de bundel van een welkome inleiding op deze poëzie die zich niet zo eenvoudig laat ontsluiten. Uit deze inleiding en uit zijn gedichten, is vooral te begrijpen dat Cóias schrijft tegen het snelle- en invoelbare leven van deze tijd, waarbij hij op zoek gaat naar het mysterie van de stilte.

Gepolijste gedichten
Dat de vijfendertig gedichten in deze bundel bewerkingen zijn van eerder gepubliceerd werk, wil zeggen dat we hier te maken hebben met een dichter die zijn materiaal blijft bewerken en bijschaven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zijn gedichten zeer gepolijst tonen, wat vooral te merken is bij het hardop voordragen. Woordklank, ritme, compositie en de stemmingen die eruit spreken, steken goed in elkaar. Er is geen speld tussen te krijgen.

De bundel is verdeeld in vier afdelingen waarvan de laatste afdeling drie gedichten bevat, die als onderwerp de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog bevatten. Op een enkele uitzondering na, zijn het bladzijde vullende gedichten, soms beslaat een gedicht meerdere bladzijden. Het is een flinke bundel met titelloze gedichten en voor allen geldt dat ze de indruk geven vanuit een andere plaats in de tijd te zijn geschreven. Wat voor de dichter een middel is om afstand te creëren. Enkele gedichten worden voorafgegaan door een citaat/strofe van andere dichters, zoals van de Frans/Belgische Henri Michaux, of Amerikaanse T.S. Eliot.

Op afstand
Dat Cóias afstand schept tussen zichzelf en zijn waarnemingen, alsook tussen zijn poëzie en de lezer, bemoeilijkt het om grip te krijgen op zijn poëzie. Er zijn geen motieven of stemmingen van de dichter te achterhalen. Nu en dan ontstaat er een vermoeden van een dichter die zoekende is, een dichter die net zo min houvast heeft, zichzelf even opvoert in de tweede persoon zoals in de eerste regels van het openingsgedicht van de eerste afdeling:

i
‘Het doet er niet toe wie je verhaal zal horen – je
woorden leggen het heldere septemberlicht vast,
dat de ochtenden één maakt met die van vroeger,
en net als jij zal het, rijzend boven een hooiveld, jouw
schaduw, de dorsvloer van je denken, jouw naam
niet met een bittere nasmaak achterlaten langs de weg.
(…)’

Mysterieus en raadselachtig
Mysterie roept Cóias op met regels als: ‘en als het een oud botje in je vingers beweegt, / zo dicht bij wat aan je voeten begraven ligt.’
En: ‘Je hebt sporen gezien van dat je niemands schaduw was, / ogen zonder gene, flitsen van de jagende hoefijzers’. Of: ‘het estuarium van de vleugel van wat je verliest en zoekt, / om daar de stekende afwezigheid te verfraaien.’ en wat te denken van ‘treinen die een graf delven in de lucht’?

Maar ook prikkelende en raadselachtige regels: ‘Als we op de kaarten de afgelegde routes veronderstellen / en terugkeren en dan definitief weer vertrekken, / terwijl niet ieder vertrek een terugkeer kent’.

Ongrijpbare betekenis
Voor een dichter waarvoor ‘stilte’ belangrijk is, gebruikt Cóias veel woorden, de bladspiegel is dicht beschreven. Je zou kunnen spreken van verhalende poëzie of proza gedichten, maar daar is geen sprake van. Veel gedichten zijn waarneming op waarneming. Of beschrijvingen die vragen oproepen maar geen antwoord leveren. Zoals het tweede gedicht uit de derde afdeling:

‘Niets van wat bloeit in het omgewoelde zand
van de terrassen in de gloed van de schemering
zal niet de drempel van dezelfde deur over gaan,
het lang gezoete graan op dezelfde dorsvloer;
zelfs in de verte, in het cruciale verlichte deel
boven de grondgebieden die geen einde kennen,
op stranden van zeeën die onbekend wegstromen,
in ieder naamloos maanlicht op lusteloze wandelingen,
kijken we niet verder dan wat we al hebben gezien.
(…)’

Dit gedicht telt nog 24 regels. Het is een tastend lezen, stap voor stap, als een blinde in onbekend gebied. Er is sprake van omgewoeld zand, van terrassen en van iets dat bloeit in het (omgewoelde) zand van die terrassen. Van dat wat er bloeit zal niets de drempel van dezelfde deur doorgaan, zal niets op dezelfde dorsvloer…, en dan ontglipt het je. Want daarbovenop komt een ‘verte’, en het ‘cruciale verlichte deel’, en eindeloze grondgebieden. Je wilt weer terug naar de ingang, om opnieuw te lezen: ‘Niets van wat bloeit (…)’. Na verloop van tijd zijn alle regels genomen, alle strofen meerdere keren doorlopen, en is er verwondering over het onbenaderbare dat er spreekt uit deze poëzie. Het is van een ongrijpbare schoonheid als van een mannequin op de catwalk.

Lezen en herlezen
De gedichten van Cóias vragen een zorgvuldige lezing, zonder meer. De dichter zoekt de stilte, zoals in de inleiding staat vermeld – hiervoor neemt hij afstand van zijn naasten maar ook van zichzelf: van de dichter niets dan stilte. Hoewel dit een enkele keer doorbroken wordt en is het alsof je eindelijk een hap lucht kunt nemen nadat je te lang onder water bent geweest. Zo’n moment is te ervaren met het zevende gedicht uit de derde aflevering:

‘Nooit zul je kunnen ophouden
met zoeken, zelfs als het geluk je toelacht
en je studie zal niet tot vreugde leiden, ook al steunt ze op de wijzen,
en je talent zal je niet bijstaan, noch zal troost je hunkering verlichten,
zelfs met liefde zou je niet vrij kunnen leven.’

Voor een moment spreekt de dichter (al is het in de tweede persoon), hier. Een vluchtige kennismaking met degene die over emoties, eenzaamheid, weggaan en opnieuw beginnen schrijft maar er zelf niet bij betrokken lijkt. Dichterbij dan dit komt de dichter niet in ‘Laat de stilte’. Toch is het een indrukwekkende bundel die om meerdere lezingen vraagt. Niet dat na elke lezing een zogenaamd tipje van de sluier wordt opgelicht, raadselachtig blijft het. Wel wordt steeds zichtbaarder hoe ingenieus het werk is van deze dichter die je vervolgens in verwondering achterlaat.

 

Omslag Laat de stilte - Rui Cóias
Laat de stilte
Rui Cóias
Vertaald en van een voorwoord voorzien door Harrie Lemmens
Oorspronkelijke titel: Europe
Verschenen bij: Vleugels (2018)
ISBN: 9789078627517
109 pagina's
Prijs: € 21,95

Meer van Ingrid van der Graaf:

Recent

17 december 2018

Wellust van woorden

Over 'Heel de tijd' van Leo Pleysier
12 december 2018

Poëzie met verhalend karakter

Over 'Abri' van Liesbeth Lagemaat
11 december 2018

‘Doorkijkblouse’ te alledaags voor een literaire schepping

Over 'Schipbreuk' van Marco Kamphuis
10 december 2018

René Appel stelt de lezer niet teleur

Over 'Dansen in het donker' van René Appel
9 december 2018

Mussen met longen als vliespinda’s

Over 'Wat huid is' van Peter du Gardijn

Verwant