Rob Verschuren – Tyfoon

Stilistisch geslaagde vertelling

Recensie door Olivier Rieter

Tyfoon is het romandebuut van Rob Verschuren (1953) die eerder de verhalenbundel Stromen die de zee niet vinden publiceerde. Het is het verhaal van drie jonge mensen: Duc, Vinh en Mai die wonen in een niet bij naam genoemd Zuidoost-Aziatisch land. In hun omgeving wordt gespeculeerd wie van de twee jongens later met Mai zal trouwen. Uiteindelijk vertrekt Vinh als hij net volwassen is naar het noorden van het land om zich bij de communistische rebellen aan te sluiten die de monarchie omver willen werpen. Duc en Mai blijven achter in de plaats van hun jeugd. Duc voorziet in zijn onderhoud met het plukken van vogelnestjes op de naburige eilanden. Waar Vinh een belangrijk man onder de zegevierende rebellen wordt, zoekt Duc andere manieren om een zinvolle invulling aan zijn leven te geven. Hij voelt zich verbonden met de spirituele tradities van de regio en ontwikkelt zich tot een zwijgzame man die enig ontzag oproept bij de mensen in de visserwijk waar hij en Mai wonen.

Kosmopolitisch

Verschuren komt met een eigen geluid. Het is moeilijk hem te situeren in het Nederlandse literaire landschap. Hij woont al decennia in het buitenland, de laatste jaren in Vietnam, en dat is te merken in de thematiek van deze dunne roman. Tyfoon past niet bij een nationale traditie van calvinistisch spruitjesproza en misschien ook niet bij de tijdgeest in Nederland (en elders in Europa), waar nog maar weinig belangstelling lijkt te zijn voor wat er buiten de landsgrenzen gebeurt. Mensen met vooral liefde voor het eigene zullen niet geboeid zijn door deze roman. Maar dat ligt meer aan hen dan aan het boek, dat wonderlijk is in de positieve zin van het woord.

Mengeling van sprookje en realiteit

Tyfoon is een mengeling van sprookje en realiteit. Het verhaal is een vertelling, misschien meer dan een roman. Dat is de kracht en de zwakte van dit boek. De kracht omdat het vertelde afwijkt van de literaire norm in Nederland, zich er in positieve zin van onderscheidt, juist doordat Verschuren zich niet bezighoudt met de geijkte verhalen in de Nederlandse literatuur over tuttig overspel, sores in een Vinex-wijk of over de verwerking van een beklemmende protestantse jeugd. Niet dat zulke boeken geen bestaansrecht zouden hebben, maar het is prettig als een Nederlandse schrijver eens wat verder kijkt dan de polder.
Maar er zit ook een zwakte in deze vertelling. De personages lijken soms meer typen dan psychologisch uitgewerkte personen.

Dit is geen boek waar een lezer snel ontroerd door zal raken omdat door de gekozen vorm niet per se empathie wordt opgewekt.
Het is een soort sprookje, dat echter niet in een ver verleden is gesitueerd, maar in de bijna-realiteit van het heden of het recente verleden. In het verhaal wordt de monarchie, een sprookjesachtig restant dat naar ‘vroeger’ en tradities verwijst, verdreven door het communisme dat het oude ongelijkheidsbeginsel wil vervangen door eenheidshap. Verschuren laat zien dat beide maatschappijvormen mensen kunnen beknellen. Maar uit zijn beschrijving spreekt een voorkeur voor de oude cultuur die wordt weggevaagd. Hij laat zien wat er kan gebeuren als idealisme zich vermengt met de realiteit, wat er kan gebeuren als ‘historisch materialisme’ belangrijker is dan de menselijke maat.

In zekere zin is Vinh door zijn politieke keuzes ontmenselijkt, wat blijkt uit de volgende passage: ‘Vinh was niet langer de idealistische dromer van vroeger. Hij was begonnen zijn dromen waar te maken. Het maakte zijn mond hard, zijn blik, die eens de wereld en alles erin met woeste gretigheid had opgenomen, berekenend en behoedzaam.’ (72) Dit is een psychologische uitdieping die Tyfoon niet overal kenmerkt. Maar Verschuren heeft er waarschijnlijk bewust voor gekozen dergelijke uitdiepingen beperkt te houden. Het is geen psychologische roman, waarin je de harten van de personages voelt kloppen, hun geest voelt bruisen of ontsporen, maar dus eerder een vertelling die aansluit bij de traditie, bij exotische vertelcultuur.

Stijl

Een sterk punt van Tyfoon moet zeker vermeld worden: de stijl. Arnon Grunberg keerde zich ooit tegen een te nadrukkelijke stijl. Volgens hem is goed proza dat proza waarvan het lijkt dat iedereen het zou kunnen schrijven, dat niet toont dat de schrijver iets moois of geleerds heeft willen bijdragen. Hier lijkt Grunberg zijn eigen literaire praktijk tot norm te verheffen. Bij zijn eigen thematieken past zijn stijl goed, maar het is de vraag of dit advies leidraad zou moeten zijn voor andere schrijvers. Misschien leidt de keuze voor een sobere stijl bij andere (mindere) schrijvers dan Grunberg wel tot saai gestandaardiseerd ‘literaire workshop’-proza zonder persoonlijkheid.

Persoonlijkheid zit wel in de stijl van Verschuren. Neem een passage als deze: ‘Ze keken omhoog naar de woestenij van rotsblokken, de dwergachtige, kromme bomen die zich in de spleten vastklampten, de verpletterende chaos die uit de hemel op hen neer leek te vallen. De branding kabbelde als een dompteur die sussende woorden spreekt tegen een grauwende tijger.’ (21). Dit is proza dat de aandacht op zichzelf vestigt en dat door Grunberg bekritiseerd zal worden omdat er stilistische ambitie uit spreekt. Een heel boek met dergelijke taal zal de lezer mogelijk vermoeien, maar Verschuren doseert goed. Mario Vargas Llosa meent dat stijl vooral een gevoel van noodzakelijkheid moet oproepen zodat de lezer ‘ervan overtuigd raakt dat het verhaal alleen op die manier, met die woorden en zinnen en in dat ritme verteld kon worden.’ Dat is bij Verschurens proza het geval.

Een vertelling als de zijne moet hier en daar op smaak worden gebracht, gekruid, met stijl waarmee schoonheid wordt nagestreefd en die afwijkt van bijvoorbeeld ambtelijke stukken, newspeak of gelikt marketing jargon. De linguist Steven Pinker stelt het volgende: ‘what is style, after all, but the effective use of words to engage the human mind?’
Als Verschuren zich had geconformeerd, in stijl (maar ook in thematiek en locatie) aan wat in de Nederlandse letteren gebruikelijk is, hadden we een passage als deze moeten missen: ‘Lang nadat de trein was verdwenen, konden ze hem nog horen loeien als een verre krijgshoorn die ten aanval riep, en daarna, toen alle achterblijvers waren vertrokken en ze alleen op het perron stonden in de bleke lichtplas van een lamp die zwaaide in de wind, als een langzaam uitdovend gejammer op een verlaten slagveld bij het vallen van de nacht. (53) Dit is stilistiek die iets van de lezer vraagt, omdat deze zin zijn geheimen niet meteen prijs geeft.

Het zijn in Tyfoon de stijl en de thematiek, en ook de gekozen vorm, die het gemis aan psychologische diepgang, ruimschoots compenseren.

 

Omslag Tyfoon - Rob Verschuren
Tyfoon
Rob Verschuren
Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer (2018)
ISBN: 9789062659968
172 pagina's
Prijs: € 17,50

Meer van Olivier Rieter:

Recent

15 november 2018

Het zoeken naar de juiste context

Over 'De verzuimcoördinator' van Nicole Montagne
13 november 2018

Schuld en geluk na val van de trap

Over 'Afgelegen' van James Wood
12 november 2018

Zwanger van dood

Over 'De lange droogte' van Cynan Jones
9 november 2018

Deze roman is een fantastische reflectie op het schrijverschap

Over 'Als de schaduw die verdwijnt' van Antonio Muñoz Molina
7 november 2018

Alzheimer en andere teloorgangen

Over 'Kleine helden zijn wij' van Stijn van der Loo

Verwant