Philippe Claudel – Een Duitse fantasie

Subtiele metaforen en een poëtisch taalgebruik

Recensie door Els van Swol

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het nieuwe boek van Philippe Claudel is een sterke ‘Claudel’: geen overdreven metaforen of al te barok taalgebruik, die enkele andere boeken soms ontsieren. Nee, subtiele metaforen die zich pas bij herlezing prijsgeven en een prachtig, poëtisch taalgebruik zonder uitspattingen. Een rijp boek dat tot nadenken stemt van de inmiddels bijna zestigjarige Franse auteur. Want wat zich niet meteen prijsgeeft is een antwoord op de vraag: gaat het hier nu om een verhalenbundel of om een (soort) roman? Er zijn vijf hoofdstukken of verhalen die tussen 2016 en 2020 op zichzelf staand zijn geschreven. Er is een centraal thema (goed en kwaad) en er zijn elementen die in alle vijf hoofdstukken terugkomen.

Alles speelt zich af in Duitsland, en zijn bijvoorbeeld de Biergarten in München en een fabriek steeds terugkerende plekken. Dan is er die andere verbindende factor: de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Tenslotte is er de figuur Viktor die overal in terugkomt, al kun je je afvragen of het steeds dezelfde Viktor is; soms wordt zijn naam als Victor gespeld. In ieder geval klinkt er ‘Victorie’ in door, maar ook Vic(tim). In de ruimte tussen die twee, tussen Viktor en Victor, victorie en victim kun je als lezer zelf kruipen: wat zou ik hebben gedaan? Je zou het een grijze lacune kunnen noemen, met een knipoog naar de titel van een van Claudels bekendste boeken, Grijze zielen. Claudel veroordeelt zijn personages niet. En staat die leemte misschien symbool voor de lijmranden van een in scherven gevallen roman, die als verhalen aan elkaar zijn gelijmd, én voor de wereld die door en tijdens de oorlog kapot viel. 

Aardappelsoep en zwart brood

Het eerste hoofdstuk gaat over een leeftijdloze, gewonde soldaat die onder een den ontwaakt uit een droom. Hij denkt aan het kamp, waar zijn collega Viktor de gevangenen schillen toewierp als waren ze kippen of varkens, en hij zelf lijsten met namen opstelde en zo de transporten voorbereidde. Op het eind vindt de ik-figuur een fabrieksruimte waarin hij denkt te kunnen schuilen. In het tweede hoofdstuk is de ik-figuur een bijna negentigjarige, knorrige en bijna dove man. Hij heeft een vrouw, een zoon en Anne, een thuishulp die drie keer per dag komt. De weinige dingen die hij nog kan, zijn ruiken en zich dingen herinneren; belangrijke thema’s in de boeken van Claudel.
De oude man denkt terug aan het Adagio uit de eenenzestigste symfonie van Joseph Haydn die hij eens hoorde, en ‘de bruinharige vrouw’, waarmee hij als vijftienjarige op een avond in mei zijn eerste seksuele ervaring beleeft. Hij bewaart ‘herinneringen aan haar gekreun, aan de kreten die ze verbeet tussen haar lippen, aan haar ademhaling als van een klein dier’. Zijn vader is in de nacht gebleven. Moeder en zoon eten elke avond aardappelsoep en zwart brood. Al etend brengen ze zich letterlijk de Tweede Wereldoorlog binnen, waar in de kampen immers aardappelsoep en zwart brood werd ‘geserveerd’. 

Groot en klein kwaad

In het derde, wellicht sterkste hoofdstuk, zet Claudel het grote en het kleine kwaad naast elkaar en laat het aan de lezer over of dit zinnig is. Er wordt een burgemeester opgevoerd, een vaak voorkomende figuur in de boeken van Claudel die alleen met zijn beroep en verder naamloos wordt opgevoerd. Voorts is er het zeventienjarig meisje Irma dat – zoals bij wel meer meisjes van die leeftijd bij Claudel – niet zo bijster intelligent is. Irma krijgt via de burgemeester een baan in een bejaardenhuis, een sociale werkplek, waar ze zijn zoon, Viktor, moet voeren. Een van de weinige dingen die Viktor nog heeft, is een portefeuille met een zwart-witfoto van een ‘groep glimlachende soldaten met aangelijnde honden en wagons op de achtergrond’. Omdat Viktor zo moeizaam eet en zij vaak trek heeft, eet ze het merendeel zelf op. De man vermagert zienderogen en sterft. ‘Bloedarmoede. Ouderdom’, meent de huisarts.

Gedeconstrueerde levens

Het vierde deel van het boek is faction over de schilder Franz Marc (1880-1916). Claudel laat hem de granaataanslag die Marc in 1916 het leven kostte als psychiatrisch patiënt overleven. In dit fantasieverhaal overlijdt hij pas in 1940. Viktoria Charles is expert bij een veiling van een veertigtal tekeningen van Marc. Hierop staan voornamelijk dieren afgebeeld; inderdaad de kern van Marcs werk. Waarbij aangetekend moet worden dat niemand de tekeningen gezien heeft. Gegevens over deze veiling in de pers worden afgewisseld met een dossier van het ‘geval Franz Moritz Wilhelm Marc’, psychiatrisch patiënt. Voorts is een interview opgenomen met Wilfried F. Schoeller, een bestaand auteur van het eveneens bestaande boek Franz Marc, een biografie.
Zoals de nazi’s alle herinneringen aan het verleden wilden uitwissen, zo wordt in deze brokken het verhaal van Marc zowel gedeconstrueerd als weer opgebouwd, of zoals in dit verhaal te lezen is: ‘Voor het regime was het altijd zaak de realiteit te deconstrueren zodra die niet meer uitkwam en schade zou kunnen berokkenen, om het vervolgens te vervangen door een realiteit die op hun bevel, en hunner glorie, tot stand was gebracht’. 

In het laatste hoofdstuk staat een nog geen tienjarig meisje centraal. Haar familie, bestaande uit vader, moeder, broertje en zijzelf werd door een soldaat die Viktor heet meegenomen naar een kuil, waarin allemaal ‘mannen- en vrouwenlichamen overal om haar heen, onbeweeglijk’ lagen. Zij en haar broertje overleven en worden door een boerin meegenomen.  Alles is verwoest en gebutst, zoals haar hoofd, dat kaal, ‘rond en gedeukt’ is. Ze gaat vaak op stap, de kleine, en slikt modder met speeksel door, internaliseert met andere woorden wat verwoest is, zoals de oorlog zelf ‘de meest onbeschaafde incarnatie van het lot is’. Op een dag loopt de kleine naar de fabriek waaruit een ‘monsterlijk geluid ontsnapte (…) een jammerklacht’. Ze ziet een verkoold lichaam liggen en praat ertegen. Zo vergeet ze haast de beelden van vroeger.

Fantasie viert hoogtij

Is Een Duitse fantasie nu een verhalenbundel of een roman? Is Claudel, de traditioneel schrijvende auteur een experimenteel pad ingeslagen, of staat hij op een of andere manier toch in de traditie van de Franse literatuur? Van beide wat lijkt het. Denk aan de ene kant aan titels als de Roman de la rose, wat ook geen roman is maar een gedicht. En aan de andere kant aan de titel van het boek waarin het woord ‘fantasie’ voorkomt.
De auteur gaat daar zelf op in aan zijn ‘Aan de lezer’ aan het slot van het boek: ‘Het woord “fantasie” uit de titel is volstrekt niet ironisch bedoeld. Het moet worden begrepen in de muzikale en poëtische betekenis, die zoals bekend duidt op een werk waarin de subjectiviteit van de auteur de overhand heeft en zich onttrekt aan de strikte regels’ van vorm. Waarmee Claudel zich bekent tot de romantiek, waarin de fantasie hoogtij vierde. Wordt een oorlog niet altijd begeleid door muziek? Van de oude componisten tot de pianospelende Aehem Ahmad op de puinhopen in Syrië. Ook dit resoneert mee in dit nieuwe, sterke boek van Philippe Claudel, dat daarmee meer lagen heeft dan je na een eerste lezing denkt.

 

Omslag Een Duitse fantasie - Philippe Claudel
Een Duitse fantasie
Philippe Claudel
Vertaling door: Manik Sarkar
Verschenen bij: De Bezige bij (2021)
ISBN: 9789403122519
144 pagina's
Prijs: € 20,99

Meer van Els van Swol:

Verwant