Olga Tokarczuk   – De tedere verteller

Fictie als medicijn tegen complexe wereld

Recensie door Adri Altink

Er waren eens twee kikkers, een pessimistische en een optimistische. Ze waren allebei in een pan met room beland en hadden grondig geanalyseerd dat hun overlevingskansen vrijwel nihil waren. De pessimistische kikker deed geen moeite meer en verdronk. De optimistische bleef spartelend vechten voor zijn leven zolang hij de kracht daartoe had. Op een gegeven moment bleek hij de room door al zijn gedraai en gespetter tot boter te hebben geklopt. Hij klauterde gladjes de pan uit en overleefde zo.
Deze anekdote wordt door Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk, in 1962 geboren in Sulechów in Polen, verteld als een metafoor voor haar werk aan Jaag je ploeg over de botten van de doden uit 2009. Die roman leek lang op een ontzettende warboel: ‘door chaotisch te schrijven, eerst hier en dan weer daar, door van een beeld naar een dialoog, van een beschrijving naar een notitie te springen, door verhaallijnen te creëren en personages op te bouwen, heb ik de chaos tot een roman geklopt. Daarvoor is onuitputtelijk optimisme nodig en dat is veel belangrijker dan vaak overschat talent of ijver’.

De passage komt voor in één van de drie lezingen die zij in 2018 gaf aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Lódź. Ze zijn opgenomen in De tedere verteller. Aan die trits is nog een vierde lezing toegevoegd die ze klaar had, maar nooit heeft uitgesproken. Daarnaast zijn er nog acht essays opgenomen die deels ook op voordrachten zijn gebaseerd en als laatste de tekst die ze uitsprak bij de uitreiking van de Nobelprijs voor Literatuur (2018). Die rede droeg de titel De tedere verteller, net als deze bundel.

Zoekmachine

De essays gaan allemaal (op één na, dat over film gaat), over het belang van literatuur, van lezen en van de verbeelding, en over het scheppingsproces van fictie. Daartoe neemt ze een aanloop in het eerste essay, Ognosie (ognosie is het vermogen om op zoek te gaan naar ordening van problemen). Daarin schetst ze de wereld waarin de literatuur het nu moet zien te rooien. Onze voorouders lieten hun verbeelding de vrije loop als ze zich een voorstelling van de wereld maakten omdat veel daarvan hen nog niet bekend was: ‘Nu hebben we onze verbeelding niet meer nodig, we hebben alles binnen handbereik via onze smartphone’. Tegelijk verliezen we het overzicht door alles wat te koop is, ook aan intellectuele goederen. We ‘zetten er onze schamele zoekmachines tegenover om de indruk te hebben dat we [alles] nog steeds onder controle hebben’. Op allerlei fronten wordt de complexiteit van de wereld gezien als een stoornis. Om die de baas te worden, grijpen we terug naar nostalgie en tradities en naar zwart-witindelingen. Daar staat tegenover, zegt Tokarczuk, dat we door de pandemie ons zelf niet langer kunnen zien als kroon van de schepping, verheven boven planten en dieren. We staan niet los van de rest van de wereld. We zullen ons méér dan op feiten en gebeurtenissen moeten richten op betekenis. En daar hebben we verhalen voor nodig die laten zien hoe oneindig gedifferentieerd de wereld is en hoe we onze ervaringen kunnen ordenen en overdragen.

Ondraaglijke vreemdheid

Voor Tokarczuk is excentriciteit daarbij een belangrijk begrip. We moeten buiten ons ‘centrische’ gezichtspunt treden, buiten de platgetreden paden en zekerheden. Literatuur durft dat te doen.
Fictie draait in alle essays in deze bundel om dat vermogen vertaler te zijn van andere, diepere, verbanden en inzichten. Daarvoor zijn schrijvers nodig, maar ook lezers. Aan die laatste besteedt Tokarczuk vooral aandacht in het essay Een vinger in het zout ofwel Een korte geschiedenis van mijn lezen en in haar Nobelprijsrede. Hier duikt het excentrische opnieuw op: haar begon als lezer ‘alles te fascineren wat geheimzinnig, onduidelijk is, wat verwondering of dreiging opwekt’. Ze vond dat bij Poe, Kafka, Tsjechov, Dostojevski, Meyrink, Huysmans, Topor en anderen die romans schreven die gingen over de ‘ondraaglijke vreemdheid van de wereld’.

Van Tokarczuk werden, vóór haar de Nobelprijs werd toegekend, al een aantal werken vertaald, zoals Huis voor de dag, huis voor de nacht (in 2000) en De rustelozen (in 2011). Na de Nobelprijs kwamen daar De Jacobsboeken en Jaag je ploeg over de botten van de doden bij. Haar schrijfproces geeft Tokcarczuk weer in het zevende essay, ‘Over het daimon en andere drijfveren om te schrijven’ en in haar vier lezingen. In ‘Hoe de Jacobsboeken zijn ontstaan’ spitst ze dat toe op die specifieke roman die haar het meest intensief in beslag nam. In haar Nobelprijsrede stelt ze (door haarzelf onderstreept): ‘Fictie is altijd een soort waarheid’. En: ‘Literatuur stelt vragen waarop je niet kunt antwoorden met behulp van Wikipedia, ze gaat bovendien verder dan de feiten en de gebeurtenissen, en beroept zich daarbij rechtstreeks op onze ervaring ervan’. Die ervaring kan zowel voor de lezer als voor de schrijver van heel ver komen.

Knoopsgaten

Een fraai voorbeeld daarvan geeft Tokarczuk naar aanleiding van haar boek, Huis voor de dag, huis voor de nacht. Daarin creëerde ze het personage Marta, een oudere vrouw. In contact met lezers viel haar op dat één detail, de uitgelubberde knoopsgaten van Marta’s vest, bij velen beklijfde. Jaren later lieten kleinkinderen van de bouwers van het huis dat Tokarczuk had gekocht, haar foto’s zien uit de tijd waarin ze zelf nog in het dorp woonden waar de roman zich afspeelt. Op één ervan stond een oude vrouw met uitgelubberde knoopsgaten in haar vest. Het bleek de oma van één van de kleinkinderen te zijn. Haar naam was Marta. Tokarczuk was met stomheid geslagen – ze had de vrouw voor zover ze wist nooit gekend. Toch moest ze de figuur ooit als beeld opgepakt hebben. Ze ontdekte iets dergelijks over een andere figuur in die roman, de monnik Paschalis. Ze wist niet hoe ze aan die figuur was gekomen. Maar na voltooiing van het boek stuit ze in oude schoolschriften van haarzelf, op aantekeningen over een monnik die het karakter had dat zij Paschalis had toegedicht. Ze was hem vergeten, maar blijkbaar hadden elementen in het verhaal dat ze bedacht had hem uit haar eigen onderbewuste naar boven gehaald.

Ze noemt het ‘de kracht van het creatieve proces – het in tijd en ruimte gelijktijdig optreden van niet-gerelateerde gebeurtenissen’. Dat is wat Jung, naar wie ze herhaaldelijk verwijst, inventieve synchroniciteit noemt. Volgens Tokarczuk maken ook lezers het mee dat fictie ineens iets wakker schudt dat van de lezer altijd als iets strikt persoonlijks had beschouwd.
De tedere verteller is rijk en inspirerend. Niet alleen voor wie schrijver wil worden, maar ook voor lezers die verder willen kijken dan Wikipedia.

 

 

Omslag De tedere verteller  - Olga Tokarczuk  
De tedere verteller
Olga Tokarczuk  
Vertaling door: Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra
Verschenen bij: Uitgeverij De Geus (2023)
ISBN: 9789044547993
256 pagina's
Prijs: € 23,99

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Adri Altink:

Recent

Den Ouden lees je kwispelstaartend
27 december 2023

Den Ouden lees je kwispelstaartend

Over 'Visioenen' van Martijn den Ouden
Beste boeken van 2023
26 december 2023

Beste boeken van 2023

Een oeverloos bestaan
26 december 2023

Een oeverloos bestaan

Over 'oeverloos' van Nisrine Mbarki
Over leugens en verwerking
25 december 2023

Over leugens en verwerking

Over 'Terug naar de Stichtstraat' van Paul Gellings

Verwant