Oek de Jong – Zwarte schuur

De donkerte onder het genot

Recensie door Daan Pieters

Op een zeldzame uitzondering na zijn Nederlandse auteurs doorgaans geen krullendraaiers. De literatuur van de lage landen moet het niet echt hebben van mooischrijvers. Die nuchterheid zal misschien aan de volksaard liggen, maar anderzijds is het wel opvallend dat de schrijvers van dit land heel wat gedenkwaardige personages hebben voortgebracht. Van Frits van Egters tot pakweg Alfred Issendorf of Jörgen Hofmeester: als de Nederlandse literatuur ergens in uitblinkt, is het wel in het neerzetten van sterke, geloofwaardige romanfiguren. Aan dat lijstje mag ook Maris Coppoolse toegevoegd worden, protagonist van Oek de Jongs roman Zwarte schuur.

Pijnlijke herinneringen

Maris is een kunstschilder die zijn leven op het eerste gezicht aardig voor elkaar heeft. Zeker, de relatie met zijn vrouw Fran vertoont ernstige barsten, maar er wordt een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum aan hem gewijd en zijn werk wordt internationaal gewaardeerd. Toch sluimert er een diepgeworteld, onderhuids ongenoegen in de kunstenaar: ‘Het gevoel van wachten werd elke dag sterker. Onder de mensen deed hij wat hij moest doen, professioneel, vol energie, met een lach, maar zodra hij alleen was zakte hij in. De catalogus van zijn tentoonstelling wilde hij niet meer zien – het leek hem een grafzerk. Hij kon zich er niet toe zetten ook maar één artikel over zijn werk te lezen. Het weerzien met zijn schilderijen riep herinneringen aan zijn jonge jaren in hem op, vooral de pijnlijke herinneringen, de pijnlijke momenten.’

Een van die pijnlijke momenten is Maris altijd blijven achtervolgen in zijn leven. Het gaat om wat zich ooit afspeelde in de zwarte schuur uit de titel, een bouwsel in het Zeeuwse boerendorp waar Maris zijn jeugd doorbracht. Het hele boek, zeg maar Maris’ hele leven draait daarom, en tegelijkertijd is de concrete informatie over wat daar werkelijk is gebeurd beperkt. Wat weten we uiteindelijk over die schuur? Maris belandt er op zijn veertiende met Matty, een meisje uit de buurt. Het is een zondagmiddag, er hangt elektriciteit in de lucht, de twee klimmen op een hooizolder, binden elkaar beurtelings vast. De licht erotische sfeer slaat om als ze aan zijn prille mannelijkheid durft te twijfelen, ‘Jij bent geen echte jongen,’ zei ze. ‘Meer een soort meisje.’ Maris geeft Matty een duw, het meisje valt van de hooizolder en overleeft de klap niet.

Twijfel over de waarheid

Een ongeluk, zegt Maris. De verteller lijkt daar ook van overtuigd te zijn. Maar zijn zij betrouwbaar?  Zou het kunnen dat de informatie over het voorval niet alleen met mondjesmaat wordt vrijgegeven om de spanning op te bouwen, maar ook om twijfel te zaaien? Zo zijn er nog wel een aantal zaken in dit boek die vragen doen rijzen. Er lijkt bijvoorbeeld een confrontatie op til te zijn met Corné Tramper, de broer van Matty en Maris’ zwarte beest, een man van wie hij werkelijk bang is. Maar uiteindelijk blijkt Corné toch niet zo’n geweldenaar te zijn. Wat als Corné’s overtuiging dat zijn zus werd vermoord, klopt? Hoe moet het dan op hem overkomen als Maris een schilderij maakt over de schuur waar Matty stierf? De twijfel over Maris’ oprechtheid wordt nog groter als er nog een incident met een heroïnehoertje volgt waaruit blijkt dat hij soms zijn zelfcontrole verliest en opeens gewelddadig kan worden.

We weten echter niet hoe de vork precies in de steel zit, en die spanning maakt Maris zo interessant: hij is niet zwart of wit. Er is alleen zekerheid over de onmogelijkheid om te ontsnappen aan zijn achtergrond, over de Zeeuwse klei die hij niet van zich af krijgt geschud. Maris gelooft niet in ‘opnieuw beginnen’. Er is een schaduw die hem altijd volgt, ‘Maar onder het genot lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’
Hij weet dat hij niet aan zichzelf kan ontkomen, ook al rijdt hij in een opwelling naar Frankrijk, op de vlucht voor zijn demonen en op zoek naar loutering bij het door hem bewonderde werk van de vijftiende-eeuwse schilder Grünewald: ‘Met de punt van zijn schoen hakte hij een gat in het ijs. Hij boog zich voorover om met zijn hand het water op te scheppen en er zijn gezicht mee te wassen. Een paar seconden was de onrust er niet, een paar seconden was er alleen de zon die hem verwarmde, de schittering van het ijs en zijn hand die water schepte op een plek waar hij nog nooit eerder was geweest.’

Zoals het leven zelf

De lezer krijgt dus geen netjes afgerond verhaaltje, geen eind goed al goed en ze leefden nog lang en gelukkig, want zo zit het leven niet in elkaar. Evenmin pretendeert De Jong met dit boek volledige duidelijkheid te scheppen over de mens en zijn drijfveren, over wat er zich werkelijk afspeelt in het bovenkamertje en onder de motorkap, als alle beschermlagen weg zijn en de schone schijn wordt doorgeprikt. Met Maris heeft hij een personage gecreëerd dat je af en toe in staat stelt om misschien een glimp op te vangen van die waarheid, of daar op zijn minst over laat nadenken. De fragiliteit van Maris’ bestaan, het besef dat het onheil altijd om de hoek loert en het einde nooit ver weg is, komt bijvoorbeeld tot uiting in de passage, waarin Oek de Jong zijn hoofdpersonage confronteert met het plotse sterfelijkheidsbesef dat een mens opeens kan overvallen:

‘Maris reed rustig, zorgvuldig, met soepele bewegingen, en vaker dan nodig was keek hij in zijn spiegels. Bij het verlaten van de tunnel wierp hij een snelle blik op de plek waar hij had kunnen verongelukken. Hij had de vangrail van de tunnel op een haar na gemist. Een autowrak met een volledig in elkaar geperste voorkant had daar nu kunnen staan, de snijbranders hadden hun werk gedaan, de ambulance was weg, er was een kraanwagen gearriveerd, politiewagens met blauwe zwaailichten waren nog ter plaatse, een agent was bezig het versplinterde glas bij elkaar te vegen.’

Great Dutch Novel

De stijl van Oek de Jong is essentieel voor de mistige sfeer die hij schept. Je zou hem kunnen omschrijven als een schrijver van de bedrieglijke eenvoud, van een misleidend less is more. Want terwijl de openingszin, ‘Zwijgend zaten ze in de trein.’ nog niet meteen argwaan wekt, volstaat iets eenvoudigs als, ‘Maris wendde zijn blik af’, verderop in dit boek al om de lezer zijn oren te laten spitsen. Kortom, je krijgt nooit echt hoogte van die ongrijpbare man, maar hij laat wel een diepe indruk na. Mocht de term Great Dutch Novel niet zo potsierlijk en on-Hollands klinken, je zou haast zeggen dat Zwarte schuur voor die titel in aanmerking komt.

 

Omslag Zwarte schuur - Oek de Jong
Zwarte schuur
Oek de Jong
Verschenen bij: Atlas Contact
ISBN: 9789025457679
496 pagina's
Prijs: € 24,99

1 reactie

  • Marjet schreef:

    Mooie recensie en zeker een uitnodiging om dit boek te gaan lezen, al vraag ik me af of er niet iets te veel wordt weggegeven, met de gebeurtenis in de schuur.





 

Meer van Daan Pieters:

De dromende dichter

Over 'In het ene oog de maan, in het andere de zon' van Paul Éluard

Recent

28 maart 2020

Alle vrouwen zullen vleugels hebben

Over 'Circusnachten' van Angela Carter
26 maart 2020

Een ode aan de taal

Over 'Wittgensteins minnares' van David Markson
25 maart 2020

Het verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader in Leningrad

Over 'Stad der dieven' van David Benioff
24 maart 2020

Lessen in onzichtbaarheid

Over 'Gratie' van Aravind Adiga
24 maart 2020

Leven zoals een boom leeft, zonder verwondingen

Over 'Omstandigheden' van Koos van Zomeren

Verwant