Mark Boog – Liefde in tijden van brand

Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

Recensie door Hettie Marzak

Klimaatverandering heeft ook de literatuur beïnvloed: nog nooit zijn er zo veel romans en dichtbundels geschreven die zich bezighouden met een wereld in de toekomst na de Apocalyps. De meeste van deze boeken vertellen over een dystopische samenleving, waarin de mens moet zien te overleven onder barre omstandigheden, met als grootste vijand zijn eigen medemensen. De achtste bundel van Mark Boog (1970), Liefde in tijden van brand, gaat weliswaar uit van hetzelfde vertrekpunt: een maatschappij die vijandig en vernietigend is, maar hij kiest voor een andere route. In plaats van de confrontatie met de buitenwereld aan te gaan, voert hij een liefdespaar op dat zich verschanst in een binnenwereld en zich staande probeert te houden  op een eilandje te midden van een wereldbrand die zich als een woeste vuurzee om hen heen uitbreidt.

Een idyllisch begin

De bundel bestaat uit vier afdelingen van elk veertien titelloze gedichten zonder witregels. Aan het begin van elke afdeling is het eerste gedicht in cursief gezet, als representant voor dat wat volgt. De meeste gedichten zijn kort en bevatten hooguit vijftien versregels achter elkaar, alleen het cursieve gedicht van de derde afdeling vormt hierop een uitzondering met eenentwintig strofen van drie regels. Alle gedichten scharen zich onder hetzelfde thema en zijn onderdeel van één verhaal.
De eerste afdeling toont een idyllisch begin: ‘Schaterlachend dansen we het korenveld in’. Er zijn slechts twee personen, de ik en de jij die in alle gedichten de hoofdrol spelen. Andere mensen zijn niet aanwezig: ‘Elders is nooit leven aangetroffen, / er is naar gezocht. We vliegen hoog.’

Dit zijn liefdesgedichten pur sang, handelend over twee geliefden en niets anders. De vuurzee van de buitenwereld wordt weerspiegeld in het liefdesspel in bed, dat met een dompelbad vergeleken wordt. Alle gedichten in deze afdeling zijn variaties op eenzelfde thema: jij en ik en de liefde.

Bedreigende buitenwereld

In de tweede afdeling loert het gevaar: ‘Er woei papier door de brievenbus naar / binnen’. De buitenwereld dient zich aan en probeert door te dringen in het dagelijkse leven van beide geliefden. Er komen scheuren in hun zelfgebouwde cocon. De derde afdeling met haar afwijkende inhoud en vorm fungeert als de spil van de gehele bundel, het middelpunt waaromheen de andere afdelingen draaien. In deze cursief gezette drieregelige strofen wordt teruggekeken op het verleden en de oorzaak van de vlucht van de geliefden uit de buitenwereld. Ze rijden in een auto door een woestijnlandschap op weg naar een toevluchtsoord. Er heeft zich blijkbaar een grote, niet nader aangeduide ramp voorgedaan. Het heeft er alles van dat er een gruwelijke oorlog over het land getrokken is: ‘Op het koude veld liggen lichamen, / inmiddels zwijgende lichamen. / Ze liggen op hun rug.’

In de vierde afdeling is de buitenwereld onontkoombaar binnengedrongen in de binnenwereld van de geliefden, die hun ogen niet meer kunnen sluiten voor de wereldbrand. Wat buiten gebeurt, heeft ongemerkt invloed op hun samenzijn: hun geluk wordt stroever, laat Boog de hoofdpersoon zeggen, en zij blijven bij elkaar omdat er niemand anders is. De vijfde afdeling klinkt als een berusting in niet alleen het verval van de buitenwereld, maar ook dat van het eigen lichaam: in hun zelfverkozen toevluchtsoord waren de geliefden veilig voor de buitenwereld, maar worden bedreigd door de voortschrijdende tijd. Ze zijn langzaam oud geworden, ziekte en aftakeling slaan toe, en ook de eens zo hechte liefde begint barsten te vertonen: 

‘De zon brandt op de harde rotsen,
die elk jaar roder, dichter, ouder
woestijn zijn. Wie buitenkomt
gezicht brandt. Wie binnengaat
duisternis vindt. Elk jaar na
de gruwelijke winter is er meer
troost in het uitzicht, meer troost
in het gekende gezelschap, meer
verlies. We gaan nooit meer weg.’

De afgelegde weg voert onherroepelijk naar een triest einde in het allerlaatste gedicht:

‘In ons smeulen vuren, ons oppervlak
is zwart en stil, een kratermeer
bij wolkeloze avond. Daar vliegen
de vleermuizen, daar gaan de uilen.
We gooien het koude hoofd in de nek
en huilen, eindelijk huilen we.’

Het verval en de liefde

De titel van de bundel brengt onvermijdelijk het beroemde werk van Gabriel García Márquez in gedachten, Liefde in tijden van cholera. Er zijn treffende overeenkomsten: Márquez vertelt ook over twee geliefden die pas, als ze al over de zeventig zijn, hun liefde kunnen vieren en beleven. Ook hier is veel aandacht voor het lichamelijk verval, ook deze geliefden vluchten voor de buitenwereld waar cholera heerst, en blijven op een boot – hun toevluchtsoord –  heen en weer varen over een rivier. 

Mark Boog, die eerder de C.Buddingh’- prijs en VSB- poëzieprijs won, heeft met deze bundel een reeks klassieke liefdesgedichten geschreven, die traditioneel genoemd zouden kunnen worden, als het element van de wereld na het Armageddon niet zo nadrukkelijk aanwezig was geweest. De gedichten passen in deze tijd waarin de angst voor de toekomst prevaleert, maar Boog predikt niet, dringt niemand iets op en probeert niet te overtuigen van de naderende ondergang: de gedichten zijn rustig en laten in mooie beelden zien dat branden een onderdeel is van de liefde en het leven zelf. 

 

Omslag Liefde in tijden van brand - Mark Boog
Liefde in tijden van brand
Mark Boog
Verschenen bij: Cossee
ISBN: 9789059368767
72 pagina's
Prijs: € 20,99

Meer van Hettie Marzak:

Recent

6 juli 2020

Bevochten vrouwenrollen begin twintigste eeuw

Over 'Nacht en dag' van Virginia Woolf
3 juli 2020

Intiem en openhartig verslag

Over 'De wind van morgen' van Arjen Sevenster
2 juli 2020

Het leven op een koffieplantage in Suriname

Over 'Plantage Wildlust' van Tessa Leuwsha
1 juli 2020

Gellings parafraseert de stem van de boze burger

Over 'Steden van Pandora' van Paul Gellings
30 juni 2020

Er staat veel op het spel in de verhalen van Stefan Zweig

Over 'Fantastische nacht en andere verhalen' van Stefan Zweig

Verwant