Marc Reugebrink – Zout

Een verhaal vol ‘goed ontsporende zinnen’

Recensie door Vic Veldheer

De in Twente geboren en in Gent woonachtige schrijver Marc Reugebrink heeft met Zout een tragisch, hilarisch verhaal geschreven over de teloorgang van een dorpsgemeenschap. Hij schrijft lyrisch, gebruikt beeldrijke taal: literatuur pur sang. En vermakelijk om te lezen; ook in de naamgeving van personen en plaatsen klinkt veel plezier door. Reugebrink heeft een voorkeur voor de lange, goed opgebouwde zin of zoals hij zelf zegt ‘de goed ontsporende zin.’
Het idee voor dit verhaal heeft Reugebrink naar eigen zeggen opgedaan in zijn geboortestreek waar eind negentiende eeuw een baron een waterput sloeg, waar tot ieders verbazing pekel uit oprees. Reugebrink zag mogelijkheden voor een verhaal over een zoektocht naar de heilige graal: zuiver water.

Het boek begint met een mooie sfeertekening: ‘Het was André Met De Honden die ons het eerst over de vondst van het zout vertelde. We zaten aan de ronde eikenhouten tafel in De Burggraaf en wachtten in de schemer die nu al weken van ’s ochtends tot in de late middag over Lende hing op het licht. De velden waren drassig, de bossen rondom dropen van het water, de wegen en paden in de wijde omtrek waren modder en slijk. Alles was onbegaanbaar en er restte ons niets dan De Burggraaf met zijn lage plafond en zijn koperen tapkraan. iets dan Baruch die ons zwijgend bijschonk, niets dan Anna, zijn dochter, die soms uit het aardedonker van de achter de bar gelegen keuken met een schort vol donkerrode vlekken en vegen en met haar bleekblauwe mollige armen tevoorschijn kwam en zonder iets te zeggen een schotel bloedworst of zure zult midden op onze tafel zette. Wij vielen aan als wolven, wij dronken gulzig onze glazen leeg en keken vervolgens weer door het bobbelige glas van het raam naar hoe een wolk de top van de kerktoren omkringelde en uiteindelijk verzwolg. De mist was als een hoepelrok van een vrouw die langzaam door haar knieën zakt.’

Het fictieve verhaal speelt zich af aan het eind van de negentiende eeuw, op het landgoed van baron Jacob Unico Wilhelm van Rudersdorf Helmstadt en zijn vrouw barones Agnes Christina Helmstadt van Uitganck, bewoners van kasteel ’t Raesfelt, gelegen in het landelijke Lende. Tijdens een theekransje van de baron en de barones met Julius Vrijmoedt, een persoonlijke vriend van de baron, twijfelt deze laatste aan de kwaliteit van het water. Het drinkwater komt uit een sterk vervuilde rivier. Hij suggereert de baron om een waterput te slaan. Starend in zijn thee, zachtjes schuddend met het kopje, zag hij ‘hoe het vlies brak als dun ijs op een boerensloot.’

De barones raakt helemaal van de kaart van zijn onheilspellende mededeling:
‘En terwijl Julius Vrijmoedt sprak over buikkrampen en bloedloop, over braken en diarree, over kinderen die uitgeteerd in vochtige huizen het leven lieten, zwangere vrouwen die maanden te vroeg bevielen van bloederige wezentjes die niets menselijks hadden, en over nog andere zaken die beslist ongepast waren als gespreksonderwerp tijdens een namiddags thee-uurtje, voelde ze hoe iets onder haar lijfje van witkatoenen batist, iets onder haar middenrif, waar het nauwsluitende, eigenlijk te krap zittende lijfje overging in een rok met brede volants – hoe daar iets begon te grommen en te grauwen.’

Vanaf dat moment gaat het mis en van kwaad tot erger, alles raakt in het ongerede. De baron laat waterputten slaan maar vindt alleen maar pekel. Daar neemt hij geen genoegen mee, hij blijft het proberen. Uiteindelijk delft hij het onderspit, blijft de barones weigeren water te drinken, en volharden de dorpelingen in hun passiviteit, de baron staat er alleen voor. Het is hem zwaar te moede. Het meest opmerkelijke in deze novelle is de ineenstorting van een dorpsgemeenschap, een lokale samenleving, nadat een buitenstaander zijn zorgen heeft uitgesproken over de waterkwaliteit tegenover de bestuurder van die samenleving. Die wil maatregelen treffen om zuiver water te vinden, maar vindt weinig medestanders. De dorpelingen kijken zwijgend toe, wentelen zich in alcoholisch besprenkelde lethargie en laten toe dat hun gemeenschap volledig ontspoort. Reugebrink richt zich in zijn verhalen vaak op de verhouding tussen het individu en de samenleving; in Zout heeft hij er wel een heel zwartgallige uitwerking aan gegeven.

 

Omslag Zout - Marc Reugebrink
Zout
Marc Reugebrink
Verschenen bij: Querido (2019)
ISBN: 9789021415345
149 pagina's
Prijs: € 18,99

Meer van Vic Veldheer:

Recent

15 oktober 2019

Wilkerson Sexton vindt haar stem

Over 'Een zekere vrijheid' van Margaret Wilkerson Sexton
14 oktober 2019

Passievolle inkijk bij een schoenmakerslichtje

Over 'Een Italiaanse reis' van Philipp Blom
11 oktober 2019

Het nietige van de mens in essayistische roman

Over 'Flessenpost uit Reykjavik' van Laura Broekhuysen
10 oktober 2019

Stilistische rijkdom en ouderliefde in een realistische roman

Over 'Jagersmaan' van Jan Vantoortelboom
7 oktober 2019

Toerist avant la lettre

Over 'Eiland in de nevel' van Lodewijk Dros

Verwant

Becommentariëren van elkaars werk

Over 'Gaven, giften en vergiften, Brieven: Willem Brakman; Simon Vestdijk' van Ingeleid en samengesteld door Nico Keuning