Luc Panhuysen ; René van Stipriaan – Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog

Verhalen om van te gruwen, maar ook om te smullen

Recensie door Huub Bartman

We mogen ons gelukkig prijzen met schrijvers als Luc Panhuysen, René van Stipriaan en Frits van Oostrom. Zij slagen erin historisch complexe zaken op basis van gedegen onderzoek voor de geïnteresseerde leek niet alleen inzichtelijk, maar ook spannend te maken. Van Oostrom toonde dit onlangs aan met zijn boek Nobel streven, waarin hij de middeleeuwse ridder Jan van Brederode uit de as van de archieven laat oprijzen en tot leven wekt. Terwijl René van Stipriaan de 17e eeuwse dichter/schrijver Bredero op basis van een gedegen analyse van diens werk aan de vergetelheid ontrukt. Luc Panhuysen heeft inmiddels een zekere faam opgebouwd als meest vooraanstaande schrijver over de Nederlandse 17e eeuwse geschiedenis. Met boeken over het rampjaar 1672, de moord op de gebroeders De Witt en de strijd tussen stadhouder Willem III en de Zonnekoning.
Met Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog zijn Panhuysen en Van Stipriaan er opnieuw in geslaagd een boek te publiceren dat de lezer meezuigt in de historische overlevering van de Tachtigjarige Oorlog. Het is samengesteld uit meer dan 120 fragmenten uit brieven, verslagen en dagboeken van ooggetuigen. Elk fragment wordt ingeleid en geplaatst in zijn historische context. Ook de positie die de briefschrijver zelf inneemt in de samenleving wordt geduid, zodat de lezer zelf de waarde van de bron kan bepalen.

Drieluik
Het boek is opgebouwd als een drieluik: het voorspel van 1558 tot de slag bij Heiligerlee in 1568, de escalatie naar opstand en chaos tot 1600 en tenslotte de oorlog als uitputtings- en slijtageslag tot de vrede van Münster in 1848. De schrijvers zijn erin geslaagd een mooie balans te creëren tussen het grote verhaal van het verloop van de Tachtigjarige Oorlog en de individuele beleving van de mensen die het zelf hebben meegemaakt. Het geheel geeft een indringend beeld van de moeilijkheden waarmee de mensen hier te lande te kampen hebben gehad als gevolg van de oorlog.
Hierin ligt dan ook het doel dat de samenstellers van dit boek voor ogen hebben: de mensen van nu de mogelijkheid te bieden zich optimaal in te leven in de mensen van toen. In die opzet past geen beschrijving van de internationale context waarin de Tachtigjarige Oorlog zich afspeelt, hooguit een minimale duiding indien het niet anders kan. Vanuit dat oogpunt bezien is het dan ook begrijpelijk dat zij hebben gekozen voor het gebruik van de benaming Tachtigjarige Oorlog in plaats van de in kringen van historici meer gebruikelijke naam Nederlandse Opstand.

Schorem en godsdienstfanaten
Alle gebeurtenissen waarvan de schoolboeken gewag maken en die in ons collectieve geheugen een plaatsje hebben gekregen, passeren de revue, al schuilt juist hierin ook een tekortkoming. Weliswaar geeft Lambrecht van den Heuvel, klerk van de secretarie van Oisterwijk, een indringend verslag van de ellende die inwoners in betwist gebied ondervonden van de gevechten, slechts een enkele bron geeft inzage in het leed dat in het katholieke zuiden van ons land is aangericht door de troepen van de opstandelingen. Dat in situaties van oorlog en opstand niet altijd de moreel meest hoogstaande figuren komen bovendrijven, is natuurlijk van alle tijden.
Zo blijken figuren als ‘de grote Geus’, Hendrik van Brederode, en Lumey volstrekt eigenmachtig op te treden. Eigenlijk zijn zij niet veel meer dan roverhoofdmannen, die, in tijden van het ontbreken van een effectief centraal gezag als opstandelingenleiders hun kans grijpen. Voor Willem van Oranje c.s. was het moeilijk greep te houden op dit soort ongeleide projectielen. Van de andere kant zien we het misdadige optreden van Alva en zijn zoon Don Frederik tegen de bevolking van Naarden en Haarlem. In beide gevallen kan je gerust spreken van terroristen onder wier optreden gewone boeren en burgers ernstig te lijden hadden. Het ooggetuigenverslag van Lambertus Hortensius van de moordpartij aangericht in Naarden laat zich niet met droge ogen lezen en doorstaat met gemak de vergelijking met het optreden van Isis bij de inname van steden in Syrië.

De Spaanse legers bestonden vooral uit slecht betaalde Duitse huursoldaten, avonturiers en criminelen, die gewoon waren hun karig loon aan te vullen met de opbrengst uit plunderingen zoals de Spaanse Furie in Antwerpen waarvan de Engelse dichter en avonturier George Gascoigne een ijzingwekkend beeld schetst. Het behoeft geen betoog dat daarbij niets en niemand ontzien werd en vooral vrouwen en kinderen de weerloze slachtoffers waren. Ook wat dit betreft is er weinig veranderd. Datzelfde geldt voor godsdienstig fanatisme. Zoals wij telkens weer geschokt zijn door het optreden van zelfmoordcommando’s, die zich, omgord met een bomgordel, opblazen in het openbaar vervoer onder het roepen van ‘Allah Akbar!’, zo geeft ook Balthasar Gerards, de huurmoordenaar van Willem van Oranje, blijk van eenzelfde godsdienstig fanatisme als hij, tijdens zijn verhoor, wordt onderworpen aan de vreselijkste martelingen. De destijds gehanteerde verhoortechnieken en uiteindelijke bestraffing zijn voor ons volstrekt onacceptabel geworden. Zij roepen hetzelfde gevoel van afschuw op als waterboarding in Guantanamo Bay en de onthoofdingen door Isis.

De macht te kijk gezet
Maar het boek vergast ons niet alleen op gruwelen als gevolg van de (burger)oorlog, maar trakteert ons ook op aardige anekdotes over de prinsen van Oranje. Zo blijkt, volgens een verslag van zijn neef, de grote ‘Stedendwinger’, Frederik Hendrik, aan het eind van zijn leven het spoor volledig bijster te zijn geweest, waarschijnlijk als gevolg van dementie, toen hij in het openbaar over zijn eigen schoenen stond te plassen. En uit het dagboek van de Friese stadhouder Willem Frederik komen wij te weten dat de beoogde opvolger van Frederik Hendrik, diens zoon Willem II, te boek stond als een seksueel roofdier:

Die dag probeerde de prins voor het eerst iets bij de koninklijke prinses Mary, hetgeen bijna lukte, ware het niet dat net de hertogin van Orsmael binnenkwam. Maar hij was al zo ver gevorderd dat er een hoed aan te pas kwam die er vlug voor werd gehouden. [….]’

Het boek van Panhuizen en Van Stipriaan leest als een trein en geeft een mooi inzicht in de actualiteit van de geschiedenis waarin duidelijk wordt dat beschaving, een op rede gebaseerd wereldbeeld, slechts als een flinterdun laagje vernis over onze wereld hangt. Er is weinig voor nodig om de barbarij opnieuw de kop te laten opsteken. In die zin lijkt dit boek met al zijn prachtige bronnen een must voor elke geschiedenisdocent in Nederland.

 

Omslag Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog - Luc Panhuysen ; René van Stipriaan
Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog
Luc Panhuysen ; René van Stipriaan
Van de eerste ruzie tot het laatste kanonschot
Verschenen bij: Querido (2018)
ISBN: 9789021415383
336 pagina's
Prijs: € 23,99

Meer van Huub Bartman:

Recent

19 april 2019

Van het toneel verdwenen

Over 'Aquarium' van Nathan Vecht
17 april 2019

Leerjaren van een jonge dromer

Over 'De verboden tuin' van Wessel te Gussinklo
16 april 2019

Zoeken en vinden als vorm van genade

Over 'Vindeling' van Vonne van der Meer
15 april 2019

Roman in spreektaal met sprookjesachtige elementen

Over 'De onverwachte rijkdom van Altena' van Jan van Mersbergen
10 april 2019

Poëzie als zoektocht naar een gemeenschappelijke taal

Over 'Tijd van de aarde' van Galina Rymboe