Lot Vekemans – De verdwenene

Wanneer het weer winter wordt

Recensie door Els van Swol

Simon, de hoofpersoon uit De verdwenene, de tweede roman van Lot Vekemans, is zo’n vijfentwintig jaar geleden naar Canada geëmigreerd, de weg volgend van oom Gerard. Nu komt Simons zestienjarige neef (‘de jongen’) voor een tijdje bij hem op bezoek. De jongen is onhandelbaar en zijn ouders hopen dat hij onder invloed van diens oom zijn leven wat zal beteren. Simon zelf werd ooit naar oom Gerard gestuurd, – de jongen nu naar oom Simon. Het is een patroon, dat regelmatig in deze roman terugkomt, tot in détail. Door te observeren doet Simon alles wat zijn vader doet feilloos na. Zo doet Simon zijn jas open, als zijn vader hem juist dicht doet. Nadoen en leren, maar ook tegen de draad ingaan en afleren. Simon lijkt een oudere, en mildere versie van Boris uit Vekemans’ debuutroman, Een bruidsjurk uit Warschau. Hij geeft ook geen antwoorden, kijkt stuurs naar de grond en schopt om zich heen.

Na verloop van tijd begint Simon zich te ergeren aan zijn neef die zijn schoenen net niet op de zitting van de bank zet, niet meehelpt met afwassen en elke vraag schouderophalend beantwoordt. Simon is vergeten dat hij als veertienjarige net zo was: geen vrienden, geen hobby’s, zich nergens voor interesserend. Het enige wat de jongen wil, is naar de Rocky Mountains gaan. Op twee mensen na die ze in de bergen ontmoeten en de ouders van de jongen, komen er geen andere personages in De verdwenene voor. Zo blijft het verhaal helder, of – om een levensles die Vekemans citeert te parafraseren: Rust, reinheid en regelmaat. Dat zou Simon zijn neef willen leren. Vekemans beschrijft op filmische wijze hoe Simon helemaal opleeft tijdens de autorit naar de Rocky Mountains.

Autorit naar Rocky Mountains

Het stof van de auto’s voor hen vormde wolkjes en hij hoorde de steentjes tegen de onderkant van de auto tikken. Al snel was Canmore volledig uit het zicht en werd de weg ingesloten door snel oplopende bergflanken. Ze passeerden twee kleinere meren en soms, als de naaldbomen langs de weg even verdwenen, verscheen er een vergezicht op nog meer bergen. De lucht was blauw en de lichtgrijze bergen staken er onwerkelijk scherp tegen af. De jongen stuiterde in zijn stoel van enthousiasme, als een hond die de bossen rook.’

Vekemans’ observaties zijn raak beschreven. ‘Hij ontdekte (…) dat er muziek was die hij snapte, of nee, dat er muziek was die hém snapte’. Soms zijn het filosofisch getinte bespiegelingen die het verhaal vertragen zodat je de gelegenheid krijgt erover na te denken, ‘Jezelf vasthouden aan de werkelijkheid, niet aan een mogelijkheid’. Waarbij het hier-en-nu minder zwart wordt voorgesteld dan wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. Of zoals Marlena in haar eerste roman, Een bruidsjurk uit Warschau denkt: ‘Je reist altijd met het gevoel dat je niet weet wat er vóór je ligt, of je nu vertrekt of juist weer teruggaat’. 

Gaandeweg de autorit leeft de jongen op en wordt steeds spraakzamer. In korte zinnen, maar toch. Oom en neef spréken met elkaar, en in die korte dialogen laat Vekemans zich kennen als toneelschrijver. Net als overigens in de opbouw van het boek, dat uit vier delen (aktes) bestaat à la een toneelstuk van Tsjechov. Gelijk opgaand met dat opleven en de toenemende spraakzaamheid van de jongen, verdiept ook de karaktertekening van Simon zich. Hij blijkt te kunnen genieten van het feit dat hij zijn neef naar de hand kon zetten. Kon – want in de Rocky Mountains lukt hem dat niet meer. De jongen spreekt, terwijl zijn oom op het toilet is, met een vreemde man, Chris, en diens zoon Quinn af om het weekend in de bergen te gaan wandelen. Simon geeft toe en blijft alleen in Canmore achter, want door een wond aan zijn been die maar niet dicht wil gaan is hij niet in staat te klimmen of veel te lopen.

Op weg naar een ander leven

Zit er in het beeld dat hij onderweg ziet een voorspellende waarde? ‘Een gigantische mannenkop die tot aan zijn mond in de grond was gezakt. (…) Het leek alsof hij zand hapte’. Vekemans zet met dergelijke beelden de lezer op het verkeerde been. Daarbij valt bijvoorbeeld ook te denken aan een verhaaltje dat Chris aan de jongens vertelt over iemand die iets te ver naar voren stapte en van de berg viel. ‘Bij dat laatste verhaal had de jongen gezwegen’.
Vlak voor de wandeling meldt de jongen dat hij vanaf dat moment ‘Dan’ in plaats van (komen wij achter) Daan heet, en zo genoemd wil worden.  

Die aanstaande bergwandeling en die naamsverandering zijn het op-weg-zijn naar een ander leven, weg van het puberale doen-en-laten van de jongen. Al gaat dat, net als het spreken, nog niet van harte en mondjesmaat. Ondanks dat is Quinn in ieder geval jaloers op de jongen en diens steeds nauwer wordende band met zijn vader Chris. Er ontstaan twee kampen: Chris en Dan tegenover Simon en Quinn. De rolverdeling is duidelijk: ‘Chris vertelde weer onophoudelijk verhalen, de jongen liet weer foto’s zien, Quinn kon weer geen hap door zijn keel krijgen’. En Simon? Dat blijft de vraag. Terwijl het net beter gaat met de wond op diens been, schopt Dan hem in een woedende bui twee keer tegen zijn zere been.
Zowel met de wond als de jongen gaat het mis en is haast pijnlijk om te lezen. Net als de droge constateringen, ‘De jongen was weg’. En, ‘Hij was bedrogen’, al had de lezer dit wel aan zien komen. Dat bedrog was overigens niet de eerste keer, wat de goedgelovigheid van Simon benadrukt; de enige vrouw met wie hij ooit (negen dagen) een relatie had, was er met zijn spaargeld vandoor gegaan. 

Verdwijning van de jongen

De jongen was weg en diens gealarmeerde ouders arriveren. Daan lijkt wat zijn eetgedrag betreft op Hanne, wat weer een patroon aanduidt. De vermissing van Daan komt steeds dichter op Simons huid te zitten. De politie doet een leugendetectortest om hem als verdachte uit te sluiten. Terwijl Simon van het politiebureau wegrijdt, staat er opeens een wahiti voor hem op de weg, die hem aankijkt. Het symbool voor kracht en natuur, het tegenovergestelde van Simons aard, waarbij aangetekend moet worden, dat Simon de natuur beschouwt ‘als het product van mensenhanden, zorgvuldig vormgegeven en ingericht.’ Rust, reinheid en regelmaat. Later is het een raaf, die op het dak van de auto gaat zitten. Het symbool van het slechte en het kwaad dat mensen verbindt, én van eenzaamheid. 

Dat laatste geldt voor alle mensen in deze roman. Een frase als ‘dan ben je nooit alleen’, die wel tegen tweelingen wordt uitgesproken gaat niet op. Dat ging ook niet op voor Simon en diens volslagen anders zijnde tweelingbroer Robbert, de vader van Daan. Maar er gloort hoop, op een andere manier dan je zou denken. Al was het alleen maar dat het winter wordt. ‘In de winter voelde het verschil tussen hem [Simon, EvS] en de wereld kleiner. Alles was dan weer naar binnen gericht’. En dat voelt voor Simon toch het veiligst, de kleine werkelijkheid van alledag.

Op eenzelfde vergelijkbare manier eindigt Een bruidsjurk uit Warschau: ‘Gaat het weer sneeuwen?’ (…) ‘Ze hebben het niet voorspeld (…), maar zeker weten doe je het nooit’. Met dit verschil, dat Vekemans in haar tweede roman de patronen en metaforen duidelijker over het voetlicht weet te brengen en daardoor nóg meer in de hersenen en harten van de lezers weet te kruipen. Dat doet ze weergaloos goed.

 

Omslag De verdwenene - Lot Vekemans
De verdwenene
Lot Vekemans
Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
ISBN: 9789059369412
256 pagina's
Prijs: € 22,99

Meer van Els van Swol:

Recent

20 april 2021

Ook sciencefiction kent regels waar het aan moet gehoorzamen

Over 'De geheugenpolitie' van Yoko Ogawa
19 april 2021

Teveel autofictie in historisch opgezette roman

Over 'De berenvrouw' van Karolina Ramqvist
16 april 2021

Een persoonlijk levensverhaal als beknopte theatergeschiedenis

Over 'Als een nacht zonder slaap' van Frans Strijards
15 april 2021

Domheid is een roeping

Over 'De topografie van de Domheid' van Matthijs van Boxsel
14 april 2021

Het karakteristieke oeuvre van een dichtende scheepsarts en zwervende schrijver

Over 'Verzameld proza' van J. Slauerhoff

Verwant