Liesbeth Lagemaat – Abri

Poëzie met verhalend karakter

Recensie door Mathijs van den Berg

Liesbeth Lagemaat had meteen succes met haar debuutbundel Een grimwoud in mijn keel uit 2005, waarvoor ze de C. Budding’-prijs kreeg. Ook met haar volgende werk bleef ze de aandacht trekken. Ze geldt als een dichteres van weerbarstige poëzie die de  lezer moet veroveren. In haar zesde bundel Abri gaat Lagemaat opnieuw haar volstrekt eigen weg.

Gedachtestromen

De bundel bestaat uit vier afdelingen. De gedichten zijn één lange gedachtestroom die zich over de tweeregelige strofen en de meerdere delen waaruit de gedichten vaak bestaan, uitstort. Dit gebeurt afwisselend in ultrakorte en lange gekoppelde zinnen. Deze lopen soms tussen de delen door of beginnen bij de titel. Als lezer raak je regelmatig buiten adem om de draad die gesponnen wordt, bij te houden. In de eerste helft van de bundel is er enige houvast aan de context die bij de gedichten geboden wordt. Zo zijn gedichten opgehangen aan kunstenaars of kunstobjecten zoals schilderijen of kleitabletten. Soms is de inspiratiebron overbekend, zoals De schreeuw van Munch, maar een andere keer moet er eerst nog even op internet gezocht worden. De naam Marius Bauer zal niet iedereen paraat hebben. Pyke Koch kennen we weer wel, maar wie is toch die Bertha aan wie de schilder denkt? Lagemaat veronderstelt veel als bekend.

Gat in het behang

Het is Lagemaat  niet te doen om het beschrijven van de kunstwerken maar om de verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid. Zo leeft ze zich in in de onmacht die Pyke Koch op zijn oude dag bevangt om zijn rijke verbeelding nog in kunst wil omzetten. Ze beschrijft hiermee indirect de worsteling die ze bij het dichten voelt. Met haar gedichten poogt Lagemaat zo precies mogelijk te beschrijven hoe zij de werkelijkheid ziet. Dat is lastig, ook omdat de werkelijkheid vol hiaten zit, die zelf ingevuld moeten worden. Zoals het gat in het Chinese behang dat de wanden van landhuis Oud-Amelisweerd siert:

[…] Een gat zo groot als een hand onderbreekt de stroom. Hier. Dat wak
in het behang. Een plek, eenvoudig af te dekken met de vingers van een hand.

Wit is de plek en wij staan in een zaal onze ogen tegen de muur geplakt
zoeken naar jouw witte keel. In zaal in huis in bos bestaan we. Trekt vannacht

een scheur onze monden tot wak? Horen we een woord, een zin in een taal
die we niet kennen. Was het een regel uit een van de Negen Liederen.’                                   

Taal zijn

Haar gedichten hebben vaak een sterk verhalend karakter. Bijvoorbeeld over een mijnwerker in een Engelse leisteengroeve in 1900 of het verhaal van een soldatenvrouw die in vijf liederen haar verdwenen man bezingt. Je bestaat pas als taal, als verhaal, als lied: ‘er is alleen een hoe. Het klinkt. Je was van taal voor je iets wist’. Aan de andere kant moeten we onze eigen verhalen maken. Want wat kunnen de verhalen op oude kleitabletten ons nog zeggen? ‘alles draait zich stoned, kraait naar de maan als een bloedsinaasappel,/ alles wil. Dooft. Gromt zich dyslectisch kapot.’

Volgens Lagemaat is de werkelijkheid talig en onachterhaalbaar. Ze richt zich soms rechtstreeks tot de lezer, zoals in deze terzijde: ‘(Heeft het zin u hier en nu te laten beleven hoe de muur zich gedroeg als hemels zwerk, de vergelijking – met een op drift rakend schip, of een cascade van golven in alle toonaarden van azuur – elk beeld zou kapotslaan op zichzelf. Men moet zich tevreden stellen. Schoonheid/ in pure vorm is onherhaalbaar.)’

Verplaatsen in de ander

Door voor wisselende perspectieven te kiezen laat Lagemaat  zien dat de werkelijkheid betrekkelijk is. Ze probeert zich voor te stellen wat er in het hoofd van de man van De Schreeuw omgaat, of vraagt zich af hoe de werkelijkheid van een blinde eruitziet, wat je als niet-blinde enkel kunt vermoeden. Een andere keer gebruikt ze het perspectief van een pijlstormvogel, die letterlijk en figuurlijk op de toeristen neerkijkt: ‘Ik ben/ de stem van dit land en ik wantrouw dat volk onder mij, al zullen er meer/mensen komen, steeds meer van hun soort, ze zullen zich koninkjes wanen/ en stulpjes bouwen op de schil van vulkaansteen […] Ze raken de weg kwijt. En toch komen er meer van dat slag […]’.

Stilistisch palet

Om de werkelijkheid zo goed mogelijk te kunnen beschrijven, haalt Lagemaat stilistisch alles uit de kast. De taal wordt binnenstebuiten gekeerd en er wordt veel gebruik gemaakt van   tegenstellingen. Alle registers worden benut: verheven en platte taal en vreemde talen. Ze refereert net zo makkelijk aan de Libelle als aan Hadewych. Ze zit de werkelijkheid op de huid met gedetailleerde, plastische en realistische beschrijvingen.

‘Het was inmiddels al zo oud dat het steeds meer was gaan lijken
op wat het uitbeeldde. Overal krassen. Reparaties. Een afgeschaafd vlies

dat juist op de dunste plekken ogen trok. Men wilde weten
wat onder de vacht – Het was inmiddels al zo oud dat het – Wij waren al

zo. Wilden weten achter de botten. In de banen. Van bloed. Synapsen.
Hoe het merg of juist niet. Welke gedachte waar trilde. Trilde er een gedachte?’

Abri weet voor een groot deel te overtuigen. Toch vraagt de lezer zich geregeld af hoe zich tot de gedichten te moeten verhouden. Het is erg talige en afstandelijke poëzie. Pas in de vierde afdeling (‘Lijf me in’) worden de gedichten persoonlijker. Daar begint de poëzie werkelijk te leven.

 

Omslag Abri - Liesbeth Lagemaat
Abri
Liesbeth Lagemaat
gedichten
Verschenen bij: Wereldbibliotheek
ISBN: 9789028427778
96 pagina's
Prijs: € 19,99

Meer van Mathijs van den Berg:

Recent

24 juli 2019

De ziel is het vijfde wiel aan de wagen

Over 'Partizaan Winter' van Giacomo Verri
23 juli 2019

Het is niet allemaal om te lachen

Over 'Vigor Anorexia' van Norbert de Beule
12 juli 2019

De positie van vrouwen in de maatschappij

Over 'Oplossingen' van Marja Pruis
3 juli 2019

Literatuur als gebed en houweel

Over 'Koers Zuid, richting Noord' van Ariel Dorfman
2 juli 2019

Literair spel van de schrijver

Over 'De groene gravin' van Rob Schouten

Verwant