Leo Pleysier – Heel de tijd

Wellust van woorden

Recensie door Rieks Holtkamp

Benoemen. Dingen om je heen een naam geven. Vastleggen tegen het verdwijnen. Bezweren.
‘Almaar meer woorden, waarmee ik het vele niet alleen kan benoemen en opsommen maar ook bedwingen, verkleinen en overzichtelijk maken. Want hoe langer hoe meer zag het ernaar uit dat het in een mensenleven erop aankwam het overzicht te bewaren.’
Niet toevallig verwijst Leo Pleysier in zijn jongste werk Heel de tijd naar het bekende gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen, een gedicht dat bij uitstek vanuit een onbevangen, kinderlijk perspectief gaat over het verkennen van de wereld, elke dag opnieuw. Die instelling is Leo Pleysier ook niet vreemd, getuige de woorden: ‘De onbevangenheid van het begin’, uit zijn in 1978 verschenen De razernij der winderige dagen.
Jeugdherinneringen haalt Pleysier vaak op in zijn teksten en Heel de tijd is hierop geen uitzondering. De Van Ostaijen-verwijzing staat aan het slot van een fragment over de leraar Staf, die hard op weg leek om nog eens bisschop te worden, als niet een fatale ziekte hem de pas had afgesneden. Bitterzoete herinneringen haalt de schrijver in de dop op aan Staf, die hij besluit met ‘Dag Staf. Dag goede maar soms ook lepe en ongemakkelijke Staf. Dag ravenzwartgerokte leraar mijn.’

Pleysier wil zijn Heel de tijd ook nadrukkelijk plaatsen in een literaire traditie. Het boek opent met een beschrijving van een groepsportret van Vlaamse schrijvers en dichters, van wie de meesten inmiddels al overleden zijn. Het is een vastgelegd moment van een groep literatoren, die evengoed Italiaanse ambtenaren hadden kunnen zijn of Schotse leden van een bridgeclub en die na deze fotosessie ieder huns weegs zijn gegaan. Sommigen heeft de ik zelfs nooit meer gezien. ‘SOMS DENK IK, die Vlaamse schrijvers hier tegen de muur, wat hangen die daar nog te hangen feitelijk? Ik heb toch allang niets meer met ze te maken? Of wel, misschien?’

De boodschap is duidelijk: het verhaal, of de verhalen die volgen is geen willekeurig verhaal uit de krant, maar een literaire tekst, met (terug)verwijzingen en terugkerende verhaalmotieven, zoals in een symfonie, welke soms reiken tot in vroeger werk van Pleysier, zoals de Brussellaars die tijdens een anti-kruisrakettendemonstratie, waarbij de stad wordt overspoeld door boeren, burgers en buitenlui een uitroep van Venetianen in de mond wordt gelegd die Pleysier ook al als motto gebruikt voor zijn De weg naar Kralingen uit 1981: …poltroni ande arrar (scheer jullie weg, luiaards!)

Daarnaast haalt hij verstrooid door de tekst ook dichters aan, van wie het werk deel uitmaakt van zijn literaire geheugen en die met zijn teksten door tijd en geografie heen één groot netwerk vormen. Dat daarbij ook de Noord-Ierse dichter Seamus Heaney wordt geciteerd is voor Pleysier en zijn vaste lezers niet meer dan ‘normaal’. Heaney’s werk is letterlijk geworteld in het Ierse landschap, net als dat van Pleysier in de streek van de Belgische Kempen waar hij is opgegroeid en weer is gaan wonen.
Dat zou bij auteurs van minder kaliber kunnen leiden tot streekgebonden literatuur die het plaatsgebonden anekdotische nauwelijks overstijgt. Maar dat is bij Pleysier in het geheel niet het geval. Bij hem toont zich het universele in de beperking, om de oude Goethe maar eens te parafraseren.
Met zijn oudere broer ‘onzen Herman’, zit de ik aan tafel, wanneer die een potloodtekening van een uil gaat maken. Herman is daar goed in. Veel gereedschap heeft hij niet nodig: een hard en een zacht potlood, een stukje gom en een puntenslijper.
Wanneer Herman zich aan het werk zet, blijkt het uiterst secuur werk te zijn. Monnikenwerk zelfs. ‘Welja, want dat vraagt tijd, zegt hij. Daar moet ge zowel tijd en geduld als een vaste hand voor hebben.  (….) Spannend, zeg ik. Heel spannend vind ik het. Al mocht er voor mijn part toch iets meer voortgang in het werk zitten. Niks van, het is een kwestie van gestaag, maar rustig door te werken, zegt onzen Herman.’

Deze scène zou je ook een metafoor van het schrijven kunnen noemen, en de opmerking van de ‘ik’ als een lichte zelfspot. Want vertragen is inherent aan het willen vastleggen van wat verdwijnt, van woorden en het universum dat ze belichamen, woorden die door Pleysier aan de vergetelheid worden ontrukt, zoals het prachtige ‘nirken’, een geluid dat koeien maken wanneer ze het gegraasde gras aan het verteren zijn.
Foto’s zijn voor Pleysier ook een vertrekpunt voor zijn verhalen. Naast het schrijversportret, zijn ook een foto van een kleiput en de trouwfoto van zijn ouders zulke ankers voor het geheugen.
Een opmerking naar aanleiding van vergeelde familiefoto’s geeft mogelijk ook een inzicht in Pleysiers visie op taal(gebruik). Foto’s verbleken door daglicht en ouderdom, stelt hij vast. ‘En van te lang blootgesteld worden aan menselijke blikken gaan ze op den duur helemaal kapot.’
Maar geldt dat ook niet voor taal? Teveel gebruikte woorden die hun betekenis verliezen, tot clichés verworden? Daarom pakt Pleysier in zijn werk – het geldt voor zijn gehele oeuvre – woorden op die zeldzaam zijn en hun kracht nog niet hebben verloren. Wat te denken van het mooie ‘aflijvig’ i.p.v. gestorven of het even bijzondere ‘nirken’, dat in de Van Dale wordt omschreven als herkauwen. Maar voor Pleysier is dat woord aanleiding om de lezer uit te leggen wat dat woord precies inhoudt, welke sensatie het is om een koe te horen ‘nirken’.
Literatuurtheoretici als Roman Jakobson en Victor Sjklovski hebben dit procédé ooit beschreven als ‘vervreemding’, een woord zo gebruiken dat het als het ware in een nieuw licht verschijnt en opnieuw betekenis krijgt.

Het symfonische werk van Leo Pleysier is een ode aan de taal, wellust van het woord.  Kortom een genot.

 

 

Omslag Heel de tijd - Leo Pleysier
Heel de tijd
Leo Pleysier
Verschenen bij: De Bezige Bij (2018)
ISBN: 9789403104508
160 pagina's
Prijs: € 18,99

steun-ons

Jaarlijks publiceert Literair Nederland ruim vierhonderd boekrecensies en literaire berichten mede dankzij donaties van lezers. U  hulp om boekrecensies, interviews, columns en essays in de toekomst te laten verschijnen is nodig. Klik voor een bijdrage.  Onze dank is groot!

Meer van Rieks Holtkamp:

Naar adem snakken

Over 'Als Beale Street kon praten' van James Baldwin

Recent

11 september 2019

In wankel evenwicht tussen twee talen en twee ideologieën

Over 'De engel van het vergeten' van Maja Haderlap
10 september 2019

Verontrustende gedichten als weerslag van het leven van een Portugees dichter

Over 'Een spoor van mezelf, een keuze uit de orthonieme gedichten' van Fernando Pessoa
9 september 2019

Van gruwelmode, drop en ondergang

Over 'Hoeden en petten en dameskorsetten' van Frank Bokern
6 september 2019

Een straat zonder geschiedenis

Over 'Caspar David Friedrichstraße' van Cécile Wajsbrot
5 september 2019

In een film is geen plaats voor toeval

Over 'Draaidagen' van Bianca Boer