Kira Wuck – Knikkerkoning

En de stad verzwolg hen

Recensie door Daan Lameijer

In Paravion vertelt Hafid Bouazza over drie generaties Baba Baloek. Zij wonen in Morea, waar Marokko in herkend kan worden, en ze zijn ontevreden. Elke dag verleidt een luchtspiegeling van een rijk land in het noorden hen ertoe hun spullen te pakken en van de overvloed te genieten. Vooral een groen lustoord middenin die stad vol verlustiging en zonde, het Vondelpark gelijkend, doet hen watertanden. De mannen wagen het erop en verlaten hun vaderland. Ze komen bedrogen uit. Eenmaal verschanst in hun theehuis, komen zij er niet meer uit en missen ze de restricties die vroeger duidelijkheid verschaften. In vrijheid zijn ze reddeloos verloren.

Eenzelfde desillusie verwoordt Kira Wuck in haar debuutroman Knikkerkoning. In dit eerbetoon aan haar ouders dompelen de Finse Anne en de Indonesische Otto zich onder in het Amsterdam van de jaren ’60 en ’70: de een zoekend naar een groots, meeslepend leven zonder bedilzuchtige moeder, de ander vluchtend voor zijn gewelddadige vader. Verreweg het sterkste element van Knikkerkoning is het onvermogen van de hoofdpersonen om de negatieve patronen uit hun jeugd te doorbreken. Hoewel het geweeklaag nergens Freudiaans wordt, is de schrijver niet wars van stilistisch melodrama. Vanuit de leeftijd van de beide hoofdpersonen valt dit te begrijpen. Als jonge twintigers raken zij in verwachting van Jane en de moeder ‘is bezig met verdwijnen’, zo ontdekt het dochtertje nog voordat zij haar kleutertijd ontgroeid is.

Kauwtjes en ijskoude sisu

Op de mooi geïllustreerde omslag van Knikkerkoning staat een kauw. Dit vogeltje, Kay geheten, is de enige bij wie Otto zich in zijn jonge jaren veilig voelt als zoon van een verwoed om zich heen slaande Indonesië-veteraan. Zijn moeder sterft jong, vader hertrouwt met de vrome Albertina. Voor terugkijken en gevoelens is geen plaats; stiefbroertjes en -zusjes krijgen het eerstgeboorterecht. Eén bedrukte gelaatstrek, één traan om zijn moeder is voor vader voldoende aanleiding om Otto een eetlepel sambal zijn huig in te schuiven, hem een zomervakantie lang huisarrest te geven of hem verrot te slaan. Uit zulke blinde razernij valt slechts één conclusie te trekken: het gezin lijdt onder de oorlogstrauma’s van vader Herman. Het mag een wonder heten dat Otto het er levend vanaf brengt, evenals het gegeven dat de kauw hem verhalen vertelt. Tot vader de vogel het erf af jaagt met een luchtbuks, en dit sterkt Otto in zijn beslissing: hij vlucht naar Amsterdam.

Waar Otto de toorn van zijn vader probeert te ontwijken, verlangt Anne naar meer contact met de hare. Hij is een goedgemutste drinkebroer die zijn ex-vrouw, Annes moeder, zo gek krijgt steeds weer de slaapbank voor hem gereed te maken, na de zoveelste nacht doorzakken. Hij ruikt dan wel sterk naar alcohol en tabak, Anne houdt ervan. Later zal menig man met eenzelfde aroma haar gebruiken, verwaarlozen en vergeten. Desondanks houdt Anne van haar vader, wat haar moeder steekt. Zij voedt hun dochter op en hoeft niets te verwachten van haar ex-man. Zij brengt Anne sisu bij, de Finse onverzettelijkheid waar de Engelse stiff upper lip bij verbleekt. Deze hardheid heeft een prijs: Anne worstelt met depressies en kent louter destructieve manieren hiermee om te gaan. Voordat ze van Helsinki naar Amsterdam vliegt, merkt de verteller op ‘dat er iets in haar kapot gaat, een klein onderdeel dat niemand kan zien maar zich langzaam steeds verder uitspreidt.’

Dolende adolescenten

Het tweetal leidt een nomadisch bestaan in Amsterdam, waardoor het bohemiencliché opdoemt. Zo waant Otto zich een onontdekte zielsverwant van Bob Dylan en Jimi Hendrix na drie seconden op zijn gitaar te tokkelen bij het Rijksmuseum. En wie spreekt onze troubadour aan, wanneer hij vrijuit musiceert in Montmartre? Brigitte Bardot, die hem uitnodigt bij haar thuis. De acteerambities van Anne blijven onvervuld: ze raakt verslaafd aan alcohol, zoals haar vader, en wordt geronseld door Ron voor prostitutie. De verwijzingen naar Flauberts meesterwerk Madame Bovary stapelen zich in dit gedeelte van het boek op. Maar waar de Fransman naarstig zocht naar wat hij ‘le mot juste’ (het juiste woord) noemde, legt Wuck meer uit dan nodig.

Met haar poëziebundels Finse meisjes en De zee heeft honger geeft ze blijk van scherpte, bondigheid en lichtvoetigheid. In deze roman lijkt voor de toeschouwers te zijn bepaald wat ze van Anne en Otto moeten vinden. Ze zijn namelijk te zeer verweven met Wucks echte ouders, waardoor je hun twijfelachtige acties en opmerkingen met de mantel der liefde móét bedekken. Je zou haast de inhoudelijke en stilistische opvallendheden door de vingers zien die nu eens de wispelturigheid van de adolescentie vertolken, dan weer doorslaan in karikaturaal pubergedrag.

Het koppel wordt neergezet als vrijgevochten, verfrissend onconventioneel bovendien. Ze weigeren in de rij te staan bij het Louvre, sluipen zonder te betalen naar binnen en de Mona Lisa vinden ze maar weinig aan. Daarnaast moeten doodgewone mensen in pak met aktetas – o gruwelijk symbool van burgerlijkheid! – het ontgelden, omdat deze kleingeestige mensjes ‘meewarig’ kijken naar seksende stellen in het Vondelpark. En zo zijn er meer overtollige bijwoorden die de fantasie niet prikkelen, maar lamleggen. Er wordt ‘stilletjes’ geslopen, ‘brutaal’ gescholden, ‘streng’ toegesproken, ‘verlegen’ gebloosd, ‘geërgerd’ gefronst en ‘sarcastisch’ opgemerkt dat het lekker gaat met de drankinname van Anne. Daarbij spreken personages zinnen uit, die hen niet passen. Zo oreert de reeds genoemde pooier én drugsbaas Ron tegen Anne, voordat hij haar de straat op schopt: ‘Een tijdlang woonde je in mijn pels, als een vlo, als een parasiet.’ Over de als-vergelijking gesproken: omdat elke bladzijde drie van zulke kunstgrepen herbergt, is het net alsof de dichteres Wuck de kundige, personale verteller naar de achtergrond verdrijft. 

Eerlijke onmacht

Los van de passages waarin de schrijver te aanwezig is, blijft Knikkerkoning een liefdevol, integer portret. De krachttoer culmineert in het derde deel, waarin dochter Jane vanuit een ik-perspectief over de ondergang van haar ouders vertelt. Wuck laat zien dat mensen liever vertrouwen op het slechte dat ze kennen, dan op het onbekende waarvan de gevolgen ongewis zijn. Daarin schuilt een onmetelijke wijsheid en pijn. Hoe vaak de personages er ook van wegrennen, hun psychische problemen verdampen niet in de ether na een vliegreis. Anne, de labielste van het jonge gezin, beseft dit. In een discussie over zelfdoding beweert Otto dat optimisme een keuze is en neerslachtigheid dus ook. Zijn vrouw antwoordt: ‘Niet iedereen is in staat dat te zien en daarin te geloven. (…) Doodgaan betekent vrijheid en dit was de enige manier om dat te bereiken.’ Het onvermogen van Anne om vol te houden en van Otto om haar te redden, maakt hen menselijk en beminnelijk. Door hun sterfelijkheid wekt Wuck haar ouders tot leven. Zwakte is wat deze vertelling kracht verleent.

 

 

Omslag Knikkerkoning - Kira Wuck
Knikkerkoning
Kira Wuck
Verschenen bij: Podium
ISBN: 9789463810050
208 pagina's
Prijs: € 20,99

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *





 

Meer van Daan Lameijer:

Grillige thriller

Over 'Het licht is hier veel feller' van Mareike Fallwickl

Recent

8 maart 2021

Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

Over 'Lijn van wee en wens' van Caro Van Thuyne
8 maart 2021

Verhalen en een partituur van walvisgezang

Over 'Terras - Naar water' van Redactie: Tommy van Avermaete, Anna Eble, Renée van Marissing e.a.
4 maart 2021

Verdieping op het werk van Ingeborg Bachmann

Over 'Oorlogsdagboek' van Ingeborg Bachmann
2 maart 2021

Personages zo weggelopen uit een schilderij van Bruegel 

Over 'Wildevrouw' van Jeroen Olyslaegers
1 maart 2021

Verwarrende poging om Picasso 150 jaar later terug te vinden in Schoorl

Over 'Furore' van Christiaan Weijts

Verwant