Kees van Domselaar – De stille fanfare

Zonder tamboerijn en trompetgeschal

Recensie door Hettie Marzak

Kees van Domselaar (1954) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, publiceerde in diverse tijdschriften over Nederlandse poëzie en was jarenlang als poëziecriticus verbonden aan het Utrechts Nieuwsblad. Poëzie van hem verscheen in literaire tijdschriften als Tirade en De revisor. De stille fanfare is zijn derde bundel en begint met een oxymoron (speciaal geval van de paradox) als titel: hoe kan een fanfare stil zijn? Die trekt gewoonlijk luid kletterend door de straten en speelt hard genoeg om iedereen wakker te doen schrikken. Maar dat doet deze stoet van gedichten niet: het zijn verstilde weergaven van observaties, meestal gebeurtenissen uit het verleden. Gedichten van een tevreden mens die met enige weemoed terugkijkt op zijn leven en in gedachten teruggaat naar zijn ouders, relaties, een denkbeeldig weerzien beleeft met mensen uit het verleden. 

De titel kan verwijzen naar de grote optocht van bekende dichters die óf met name genoemd worden, zoals Wim Brands en Rutger Kopland – aan wie de derde afdeling uit deze bundel is opgedragen – óf wier werk geciteerd of geparafraseerd wordt. Zo zijn er dichtregels aan te wijzen die rechtstreeks uit het werk van bijvoorbeeld Hans Lodeizen, Jacobus Revius en zelfs Gerard van Maasakkers lijken te zijn opgenomen of enigszins in hun stijl bewerkt zijn; wat betreft de laatste, een Brabantse zanger, wordt duidelijk gerefereerd aan diens lied De fanfare van honger en dorst, wat in dit geval een wel zeer toepasselijke tekst is. 

Status quo en het heden

De bundel bestaat uit zeven afdelingen, waarmee echter niet perse een noodzakelijke of duidelijke verdeling van de gedichten is aangebracht. De eerste afdeling bevat gedichten die het heden en de status quo beschrijven:

‘de zon schijnt, de ramen open
we zetten koffie, we eten wat
ik zie de weelde van je haren
je lacht een beetje
je kijkt me aan
het scheelt niet veel
of er klinkt Bach’

Terugblikken

In de tweede afdeling begint het terugkijken naar wat geweest is. Het gedicht Dit moest nog is een duidelijke verwijzing naar het bekende gedicht van Gerrit Kouwenaar dat begint met de regel ‘Men moet zijn zomers nog tellen’. Van een leraar Nederlands hoeft het geen verwondering te wekken dat hij zoveel andere dichters aanhaalt, maar van de lezer kan wat teveel gevraagd worden wat belezenheid betreft, hoewel de gedichten ook heel goed leesbaar zijn zonder die extra informatie. 

De vierde afdeling lijkt een eerbetoon aan de geliefde: de dichter mijmert weemoedig over het begin van hun relatie, de vakanties samen, de huizen die ze bewoond en verlaten hebben, ‘over de voorbije jaren / tussen jou en mij’. 

Omringende wereld

Pas in de vijfde afdeling wordt de toon anders. Gaat het niet meer over de dichter en zijn directe omgeving, maar worden er mensen en gebeurtenissen uit de omringende wereld onder de aandacht gebracht, zoals in De Vrede van Utrecht en Op het graf van Barones Blanckenhagen. De gedichten in deze afdeling worden niet gekenmerkt door tevreden gemijmer, maar hebben scherpe rafelrandjes gekregen. Het woordgebruik is niet lieflijk en zoet, maar lijkt soms regelrecht van de schutting af te zijn gekomen. Juist door die bitse toon in bijvoorbeeld een gedicht als Tot later, waarin een hangjongere wordt beschreven, of de donkere kant van de werkelijkheid in het gedicht Ruilverkaveling waarin een boer zich heeft opgehangen ‘met zijn pet op aan de balken’, zijn dit de interessantste en beste gedichten van de bundel. Het louter constateren van observaties is nu eenmaal minder boeiend dan het aanbrengen van een diepere laag waarin naar betekenis gezocht moet worden.  

De dood

De zesde afdeling valt dan, na die mooie vijfde, ook een beetje tegen; de gedichten die hierin zijn opgenomen, zijn niet erg spannend en lijken te veel op die van de eerste vier afdelingen waarin opnieuw herinneringen aan de ouders worden opgehaald. Hun levenseinde wordt onder de aandacht gebracht, of het bergafwaarts gaan door dementie. Opnieuw wordt een dode dichter tussen de regels binnengesmokkeld: ‘zo ruikt het kopland weer / naar hooi en mest / drinken de kinderen limonade / is er geluk onder de paarden’.

In de zevende en laatste afdeling is de dood sterk aanwezig. De dood van de ouders, een broer, de diagnose van een terminale ziekte, de voorgestelde dood van de dichter zelf en de aankondiging van een gestorvene. Ook deze gedichten springen eruit wat kwaliteit betreft. Ellende en leed lenen zich blijkbaar beter om te bezingen dan stil geluk en tevredenheid. Ook hier zijn de gedichten minder simpel en eenduidig en is er meer werk gemaakt van beeldspraak die minder voor de hand ligt, origineler is dan in de andere afdelingen. Al met al had deze fanfare wat luidruchtiger van zich mogen laten horen.

 

Omslag De stille fanfare - Kees van Domselaar
De stille fanfare
Kees van Domselaar
Verschenen bij: De Arbeiderspers
ISBN: 9789029540629
88 pagina's
Prijs: € 18,50

Meer van Hettie Marzak:

Recent

1 april 2020

Herinneringen van een kunstliefhebber

Over 'Andermans wegen' van K. Schippers
31 maart 2020

Libanese galgenhumor

Over 'Grappen voor de schutters' van Mazen Maarouf
28 maart 2020

Alle vrouwen zullen vleugels hebben

Over 'Circusnachten' van Angela Carter
26 maart 2020

Een ode aan de taal

Over 'Wittgensteins minnares' van David Markson
25 maart 2020

Het verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader in Leningrad

Over 'Stad der dieven' van David Benioff

Verwant