Juliën Holtrigter – De sprong van de vis

Liefde voor het raadsel

Recensie door Mathijs van den Berg

De sprong van de vis is de zesde dichtbundel van Juliën Holtrigter (pseudoniem van de dichter en schilder Henk van Loenen). Holtrigter zou je een wat a-modieuze dichter kunnen noemen: eenvoudig, verstaanbaar, romantisch en klankrijk. Achter de eenvoudige regels gaan echter complexe en dramatische werelden schuil. De sprong van de vis bevat veertig relatief korte gedichten die gelijkelijk over vier afdelingen zijn verdeeld. Het openingsgedicht is meteen in alles typisch Holtrigter. Het kent een zorgvuldige opbouw.

Eerst wordt een bijzondere sfeer geschetst: ‘Achter de duinen davert de snelweg, / de zee ademt rust. / Over het blauwe basalt kruipen nog / restjes spuug van de vloed.’ Holtrigter maakt de werkelijkheid niet mooier dan zij is: ‘Etalages, verlicht in de avond. / Schoenen, smartphones, bedden, juwelen.’ / Bij de poelier hangen gevilde hazen / schaamteloos voor het raam.’ De maan heeft  ‘aan haar vingers witgouden ringen, / in haar ogen witgouden leegte’. Waarna staat: ‘Haar sluiers moeten misschien wel / verhelen dat ze zich sneed.’ Het zijn vooraankonigingen van een drama, waarover we in de laatste regels lezen: ‘Er is iemand op weg, terug naar huis, / verslagen, ontwapend.’ Wat er is gebeurd wordt in het midden gelaten. 

Aandachtig observeren

Ook in de andere gedichten is Holtrigter een meester van de suggestie. Zijn manier van dichten doet denken aan de betere film, waarin een desolate omgeving en een plotselinge oogopslag boekdelen spreken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Bladzij’, waarin de ‘ik’ in de trein tegenover een lezend meisje plaatsneemt. We kijken met hem mee. Hij probeert te raden wat er in haar omgaat: ‘Ze leest over duistere zaken, dat moet wel,/ zo donker glijden haar ogen over de regels./ Nochtans, haar hand streelt de bladzij,/zo lijkt het.’ In een ander gedicht bespeurt de ‘ik’ in een serveerster ‘een nog vers verdriet’. De slotregels luiden: ‘Ik loop met haar mee en leg veel te zacht/een hand op haar schouder.’ De personages zijn kwetsbare personen met wie de dichter meevoelt, waarbij de toon registrerend blijft. 

Het ‘kijken’ is een constante in deze bundel. Holtrigter is een dichter die over zijn directe, alledaagse omgeving schrijft. De werkelijkheid valt op, zodra er iets gebeurt: ‘Werkelijkheid is dat wat werkt./Er spoelt wat aan, er kalft wat af.’ Werkelijkheid is met andere woorden beweging. Zoals in het titelgedicht ‘De sprong van de vis’: ’In het tanende licht van oktober, niets/is blijvend, landt een wolk op het water./Een vis springt, valt terug in zijn lijfgoed,/ verzilvert de stilte.’ Het gaat om dit soort magische momenten waarin de tijd zich samenbalt: ‘Met mijn langzaamste pen schrijf ik: tijd/is een zeer kleine ruimte.’ Bij alle beweging hangt boven de gedichten een bijna serene stilte, die erdoor wordt benadrukt.

Het perspectief ligt bij de ‘ik’, maar op een onnadrukkelijke manier. Door de vaak herkenbare situaties – een bezoek aan de kust, aan een café, reizen  – is het makkelijk je met de ‘ik’ te identificeren, waardoor het gedicht ook jouw ervaring wordt. De ‘ik’ cijfert zich soms letterlijk weg, beschouwt zich als een figurant: ‘Ik, figurant, staar in het donker.’ In het gedicht ‘Regels’ is de ‘ik’ net zo belangrijk als de zee: ‘Ik strijk neer op het strand en de zee/doet dat ook, komt dichterbij, strekt zich uit.’ In ‘Uitzicht’ draait Holtrigter het perspectief zelfs helemaal om: ‘Ik kijk opnieuw naar de verte, hoe verder hoe vager,/besef hoe onscherp het beeld is/waarin de verte mij waarneemt, hoe ik al turend/vervaag.’ 

Sterke beelden

‘De sprong van de vis’ is een bundel met veel sfeer. Met een paar streken schetst Holtrigter sterke beelden, zoals in het mooie, melancholieke gedicht ‘Nachtboot’:

‘De nachtboot legt aan.
 Doodstille haven.
 Het water weerspiegelt het spooklicht van schepen.

 Stijf ligt de vangst op de kade,
 vissen in ijs, de huid nog glanzend van leven,
 de verbijsterde blik in de ogen, de bekken wijd open.

 Een krab beweegt nog een schaar.
 Zie toch dat wenken, dat hopeloze.
 De ochtend breekt aan.

 De krant meldt gemeier dichtbij en rampen ver weg.
 Roof en rot doen hun werk overal
 maar niet hier:

 de dauwdruppels op het boeketje zijn erg hardnekkig.
 En ook het hout in de haard brandt niet op.
 Onsterfelijk zijn de plastic kozijnen.’

Ook hier, bij alle stilte, een verhalend gedicht dat gedragen wordt door het slot. De opbouw is niet origineel, maar de beelden en woordkeuze zijn dat wel. 

In de tweede afdeling ‘Verre verwanten’ figureren ook familieleden, bij wie de ‘ik’ blijkbaar vervreemding voelt. Ook zij worden bekeken. Er klinkt ironie in de gedichten door. Over zijn vaders jaloezie op de acteur die door zijn vrouw in een toneelstuk wordt gekust. De vader speelt op zijn beurt weer graag de rol van een boer: ‘die rol lag hem goed, Goden wat was dat/ karakter devoot!’ In ‘Impasse’ is de verre verwant de dichter zelf: ‘In zijn bovenkamer zit een ventje dat schrijft/om iets te begrijpen,/een zenuwlijder/die woorden vuilmaakt aan wat schoonheid.’ Het dichten is een worsteling: ‘In zijn bovenkamer armzalig zijn voelen, zijn denken: een afgestompte/antenne, een bot ontleedmes./Iemand of iets dicteert hem zinnen waarvan hij/geen jota denkt te begrijpen.’

Van bovenaf bezien

Vriend Chaim duikt op, die we kennen uit Holtrigters eerdere bundels. Chaim is iemand met een grote fantasie, een buitenbeentje: ‘Hij steekt veel werk in onnutte zaken en vaart daar wel bij.’ Later blijkt hij in een kliniek te zitten. Chaim spreekt zeer tot de verbeelding van de ‘ik’: ‘Ik houd van zijn leugens, ze zijn ook fantastisch’. Maar ook vindt hij Chaim inhoudsloos: ‘hij praat/ honderduit, maar hij zegt bijna niets. Zijn verveelde verbeelding valt in herhaling.’ Het is vooral Chaims houding die de ‘ik’ fascineert: het onbekommerd om zich heen kijken en fabuleren. Chaim belichaamt de verbeeldingskracht en is voor de ‘ik’ een soort muze. 

De ‘ik’ bekijkt de wereld graag van boven, bijvoorbeeld door op het dak te klimmen. Door letterlijk boven de werkelijkheid uit te stijgen, ontstaat weer een ander perspectief. Holtrigter schrijft poëzie waaruit een enorme nieuwsgierigheid spreekt. En een grote hang naar mystiek, zoals heel duidelijk wordt in het gedicht ‘Lichtschip’ uit de laatste afdeling ‘Dakruiters’: 

‘maar boven alles bemin ik de leegte, het zenit,
 boven alles bemin ik het lichtschip,
 bemin ik de leegte,
 bemin ik het licht.’

 

 

Omslag De sprong van de vis - Juliën Holtrigter
De sprong van de vis
Juliën Holtrigter
Verschenen bij: De Harmonie (2021)
ISBN: 9789463361255
56 pagina's

Meer van Mathijs van den Berg:

Recent

9 december 2022

Liefde en sterven in een mooi geschreven novelle

Over 'Als de liefde' van Theodor Holman
8 december 2022

Op zoek naar waarheid en onafhankelijkheid

Over 'De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd ' van Rune Christiansen
7 december 2022

Smaakvol en leerzaam verhaal over hygiëne

Over 'Het mooiste boek van grote viezigheid - een onfrisse geschiedenis' van Monika Utnik-Strugata en Piotr Socha
6 december 2022

De eeuwige slang en de zachte klank van regen

Over 'Boekhandel in de bergen' van Alba Donati
5 december 2022

Het belang van de glimlach

Over 'Glimlach' van Sarah Ruhl