Joseph Ponthus – Aan de lopende band

Liefdevolle beschrijvingen over slopend fabriekswerk

Recensie door Marjet Maks

Aan de lopende band is het debuut van de Franse schrijver Joseph Ponthus en verscheen in vertaling van Floor Borsboom bij de Arbeiderspers. De ultrakorte zinnen, zonder punten of komma’s, lezen als een episch gedicht en geven met veel impact en sfeer het verhaal hun ritme. De lezer wordt meegezogen in taal en beelden en komt in de dreunende cadans van Ponthus’ werk aan de lopende band. En dat is het bijzondere van dit boek. Om in zijn levensonderhoud te voorzien vond de hoogopgeleide Ponthus via een uitzendbureau een baantje aan de lopende band en kwam in een visfabriek op de afdeling schaal- en schelpdieren terecht. Vissen op maat en soort sorteren, wulken uitzoeken of garnalen in plastic bakjes in ringen leggen, 125 gram die voor ongeveer vijf euro in de supermarkt liggen.

‘we produceren vaak meer dan tienduizend garnalenringen per dag op basis van zo’n twintig minigarnalen per ring
Welke productiemedewerkers uit welk land hebben al die garnalen gepeld
Welke arbeiders
Voor welk salaris
Welke kinderen’

Buffelen in de nacht

Op een andere afdeling worden koolvisfilets gepaneerd voor vissticks. Het is koud en het is flink buffelen, ook ’s nachts. Een behoorlijk gesprek met collega’s is er nauwelijks bij, toch laat humor de schrijver niet in de steek, zoals in dit gesprekje met een collega. 

 ‘Je vernikkelt echt in de fabriek’
‘Het is een fabriek voor verse vis dus wat wil je’
‘Maar ik heb drie paar handschoenen en ijskoude handen’

‘(…)’

‘Denk je dat ik de chef kan vragen of we warm water in de bakken vis met ijs kunnen doen dat is prettiger om te werken’
Aan de brave man is echt vis nog graat
en werken is ook niet aan hem besteed.’

Slopende vermoeidheid

Tijdens een pauze van het werken in de fabriek werkt hij als sociaal werker met gehandicapte kinderen in Noord Frankrijk, hij rijdt van hot naar her. Vervolgens krijgt hij een baan het slachthuis. Schoonmaken, bloed en vet wegspuiten met een hogedrukspuit. En karkassen duwen. De runderen hangen aan verschillende rails die naar de afdelingen moeten worden geduwd waar ze worden uitgebeend en verder gesorteerd. Honderden kilo’s vlees duwen, vaak in zijn eentje. Hij zou bijna terugverlangen naar de schaal- en schelpdieren, om wulken te sorteren bijvoorbeeld. 

De dagelijkse dreun van de lopende band, het lawaai, bloed en ingewanden, de pijn van verkleumde vingers, gebroken rug, slopende vermoeidheid; het verlangen naar de pauze met een peuk, het laatste uur van de dag. Het weekend dat nooit lang genoeg is, het warme lichaam van zijn vrouw, zijn hondje Pok pok, komt herhaaldelijk langs in steeds andere bewoordingen. Als lezer zal je het weten ook.

‘ik ken maar een paar plekken die zo’n effect op me hebben
Zo absoluut, existentieel en radicaal
De Griekse heiligdommen
De gevangenis
De eilanden
En de fabriek
Als je die verlaat
Weet je niet of je in de echte wereld stapt
Of die juist verlaat’

Ode aan chansonniers

Hoe houdt deze man, die allesbehalve een arbeider is, het vol en waarom doet hij dit werk? Deels bij gebrek aan beter, maar ook om zijn ervaringen te gebruiken voor een boek. Het is belangrijk voor wat hij schrijft en door de manier waarop hij het noteert komt het dubbel binnen. Naast een aanklacht is Aan de lopende band ook een dagboek, een brief aan zijn moeder en een ode aan chansonniers, als Trenet en de dichter Guillaume Apollinaire, communist en surrealist. Tijdens zijn dodelijk saaie, repeterende en zware werk drijft Ponthus op associatieve gedachten en dromen. Hij voert innerlijke gesprekken met Proust, Apollinaire, Marx die als een ketting door de repeterende handelingen heen geweven zijn. Hij prevelt dichtregels en neuriet liedjes om het einde van de dag te halen.

Het is de tijd van de demonstraties van de ‘gele hesjes’. Ponthus ziet zichzelf als anarchist, toch voegt hij zich niet bij zijn vrienden op straat. Een dag niet werken betekent de volgende dag dubbel zo hard werken. Er zijn niet veel romans over het werk aan de lopende band omdat de meeste arbeiders geen schrijvers zijn. Joseph Ponthus is een schrijver die zijn debuut onder andere opdraagt aan ‘de proletariërs uit alle landen, aan de ongeletterden en de tandelozen met wie ik zoveel heb geleerd gelachen geleden en gewerkt’

Iemand willen worden

Hij beschrijft zijn afschuw en frustratie voor de fabriek haast liefdevol, alsof hij in een haat – liefdeverhouding staat tot zijn werk. Hij wil iemand worden schrijft hij aan zijn moeder, die  haar mededogen betuigt door een biljet van 50 euro te sturen als hij op zaterdag moet  –  en wil – overwerken voor dat extra bedrag. 

‘Ik duw mijn karkassen
En natuurlijk dat ik dan wel eens terug denk en al die levende kinderen die ik heb begeleid en die inmiddels volwassen zijn
Sommige zijn ook al dood
Maar ik ben gelukkig hier
Met mijn vrouw
Meer dan gelukkig
Niet ver van de zee
Al moet ik dan ook dode dieren duwen
Torst ieder tenslotte niet zijn eigen last
Tot de dood erop volgt’

‘Aan de lopende band is een aanklacht tegen de vlees- en vis productie in deze maatschappij zonder dat Ponthus dat ergens letterlijk benoemt. Hij roept herinnering op aan de documentaire ‘Le sang des bêtes’ uit 1949 van Georges Franju. Zijn verhaal doet ook denken aan de film ‘Dominion’ van Chris Delforce, waarin grote vraagtekens worden gezet bij de manier waarop met de vleesproductie wordt omgegaan. Net als dit boek, verplichte kost voor vleeseters en ook voor vegetariërs.

 

 

Omslag Aan de lopende band - Joseph Ponthus
Aan de lopende band
Joseph Ponthus
Vertaling door: Floor Borsboom
Aantekeningen uit de fabriek
Verschenen bij: De Arbeiderspers
ISBN: 9789029540636
264 pagina's
Prijs: € 21,99

Meer van Marjet Maks:

Verwant