Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren

Essay door Michiel van Diggelen


Wat betekent de neerlandistiek nog in dit land en heeft een bundel van een hoogleraar in deze vakdiscipline een meerwaarde voor het begrijpen van de moderne literatuur? Jos Joosten, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen waagt zich aan wat volgens hem een vrolijk boek is. Hij is van mening dat de neerlandistiek leeft als nooit tevoren. Is de bundel, Hoera! Een boek, reden om de vlag uit te steken?

Laten we vrolijk beginnen. Joosten toont zich een goed stylist die in vlotte zinnen zijn verhaal vertelt waarbij hij zich richt tot een breed publiek waarbij hij onnodige vaktermen vermijdt. Hij besteedt aandacht aan de historische ontwikkeling van de studie Nederlands, levert zeventien besprekingen van romans en gedichtenbundels en buigt zich over actuele vakwetenschappelijke discussies. Dat is heel wat in een gering aantal pagina’s.
Het merendeel van deze bundel is gevuld met besprekingen van romans en dichtbundels. Het betreft onder meer boeken die volgens hem ten onrechte onderbelicht zijn gebleven en andere die onverdiend en in overvloed die aandacht wél kregen. Hij ziet in deze besprekingen af van zijn rol als wetenschapper. Een criticus oordeelt en een wetenschapper analyseert. Joosten oordeelt hier te kust en te keur.

Joosten is ongenadig in zijn afwijzing. Enkele veelvuldig bewierookte of onder publiciteit bedolven schrijvers sabelt hij met veel plezier neer. Met rake diskwalificaties omschrijft hij zijn afschuw van romancier Thierry Baudet: ‘James Last is de literatuur binnengemarcheerd’, maar ook gelauwerde auteurs als Jan Siebelink: ‘een drol met een strik erom’, Dimitri Verhulst: ‘sneue mix van zelfbeklag en puberbravoure’ en Saskia Noort, die hij – hoe dodelijk voor een literaire thrillerschrijver – ‘de totale-onwaarschijnlijkheidsbokaal’ uitreikt, moeten het ontgelden. Deze affakkelparade wekt sterk de lachlust op en geeft een vergelijkbaar genoegen als een tekst van Jeroen Brouwers over schrijvers in de jaren zeventig. 

Aantrekkelijke broodjes om in te bijten

Maar Joosten kan ook heel goed prijzen. Het werk van enkele door hem geprezen schrijvers schotelt hij voor als een erg aantrekkelijk broodje waarin je meteen wilt bijten. Schrijvers als Simone Atangana Bekono, Hannah van Binsbergen, Hanna Bervoets en ook (hoe onverwacht) Kluun krijgen van hem een positief oordeel. Zeer lovend is hij in het bijzonder voor het werk van de Tilburgse auteur en kunstenaar Nick J. Swarth. Joosten kan zijn enthousiasme voor Swarths roman De plasserparadox niet voor zich houden en smijt meteen al in de tweede alinea van zijn uitgebreide bespreking de conclusie op tafel: ‘(…) wat heeft Swart een tof boek geschreven!’

Hij vindt de roman van Swarth schitterend. Waarom? Volgens hem voldoet Swarths roman in alle opzichten aan een aantal door hem geformuleerde criteria. De roman is volgens hem geschreven in een stijl die schittert en meesleept, het boek openbaart iets over aspecten van de hedendaagse wereld en Joostens eigen wereld ziet er na lezing anders uit dan voorheen. Hij is óók van deze roman gecharmeerd omdat hij zich erin herkent. De uitzichtloze wereld van een groep jongeren in Tilburg in 1980 die Swarth als onderwerp heeft gekozen, doet hem sterk denken aan zijn eigen studententijd in Nijmegen, waar hij betrokken was bij de oprichting van een afdeling van de PSP-jongeren.

Gek genoeg noemt hij ‘herkenning’ van ondergeschikt belang bij de beoordeling van een roman. Is dat wel zo? Zou Joosten als hij een corpsstudent was geweest in Groningen de roman evenzeer hebben bejubeld? Is het niet juist vanwege de herkenning dat Joosten juist deze, door velen veronachtzaamde roman, de hemel in prijst? Hoe terecht zijn oordeel ook is, – Swarth schreef een interessante roman – het is wel een oordeel dat veel over Joosten zélf zegt. De wetenschapper en criticus Joosten kan bij het lezen zijn eigen persoonlijkheid niet uitvlakken. 

Controversiële opvattingen

In de bundel zijn drie artikelen opgenomen waarin hij vakwetenschappelijke discussies aanroert. Om maar meteen op zijn Joostens met de deur in huis te vallen: zijn opvattingen zijn controversieel en dagen uit tot een weerwoord. Joosten constateert dat ‘steeds vaker kwesties buiten de literaire tekst relevant en urgent worden.’ Het ‘Merlijnse dogma’ (= het werk, het werk en niets dan het werk) wordt niet langer algemeen beleden. Met name vragen omtrent de verhouding literaire werk en      persoonlijke leven van de schrijver worden tegenwoordig veelvuldiger gesteld. Een artikel gaat over de vraag wat het nut is van schrijversbiografieën.

Dit thema wordt onder meer behandelt aan de hand van Vierspan: Over biografieën en het schrijven ervan, van schrijversbiograaf Jan van der Vegt. Joosten vindt deze studie ‘amusant’ maar heeft er verder geen goed woord voor over. Van der Vegt beweert dat biografen hun werk doen om aan de behoefte van de lezers te voldoen. Dat is natuurlijk een erg magere verantwoording voor het genre. Om nu op grond van zo’n zwakke verdediging het genre meteen naar de prullenbak van nutteloze zaken te verwijzen, zoals Joosten doet, is echter even dom als de medische wetenschap af te wijzen omdat Willem Engel onzin debiteert over Covid. 

Joosten beweert dat een schrijversbiografie vrijwel niks toevoegt aan de strekking, inhoud of interpretatie van het werk van de schrijver. Ook hiervoor gebruikt hij voorbeelden die niet sterk zijn. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af wat de relevantie is van de dwangmatige onanie van Gerrit Achterberg voor de interpretatie van zijn werk en wat we leren over het werk van Adriaan Roland Holst, als we weten dat hij leed aan allerlei ‘private ongemakken’. Als de schrijversbiografie niet meer biedt dan deze petite histoire is deze inderdaad op zijn hoogst belangwekkend voor soapliefhebbers. Maar valt er dan niets méér over de waarde van een schrijversbiografie te zeggen? Heeft Joosten dan nooit een schrijversbiografie gelezen die de moeite waard is? Blijkbaar niet.

Komt dat wellicht, omdat hij meer geïnteresseerd is – in navolging van de Franse socioloog Pierre Bourdieu – in de vraag wat op enig moment gezien wordt als literatuur en wie zich ermee bezighielden dan met de vraag wat de relatie is tussen de schrijver en het werk dat hij schreef. Ja, als je interesse niet ligt bij de schrijversbiografie, maar bij de vraag hoe men in een bepaalde periode over literatuur denkt, is dat vergelijkbaar met iemand die minder geïnteresseerd is in een krantenartikel over de spitspositie bij Ajax, omdat hij zelf keeper is.

Een schrijversbiografie is hartstikke interessant als de biograaf een poging doet het werk te verbinden met de schrijver in zijn totale leefwereld. Uiteindelijk is het wel de persoon van de schrijver, gevormd door opvoeding, ervaringen en invloeden die dit werk geschreven heeft. Hij leeft in een eigen complexe historische biotoop die bestaat uit vele elementen. Het literaire werk is niet uitsluitend een product van die biotoop en wordt ook niet als een kant-en-klare boodschap door de schrijver ontvangen en doorgegeven, zoals Mozes overkwam op de Sinaï met de wetten voor het volk van Israël. Het is het resultaat van zijn omgang met de wereld, misschien is het schrijven van een roman wel een soort van overlevingsstrategie, om met de Engelse auteur Tim Parks te spreken. 

Vermenging fictie en non-fictie

Joosten laat in een ander artikel duidelijk merken dat hij grote moeite heeft met de vermenging van feiten en interpretatie, van fictie en non-fictie in de recente schrijfcultuur. Volgens hem is het literaire pact tussen schrijver en lezer in de laatste jaren verbroken. Dit pact houdt in dat de lezer van een fictioneel werk ervan uit mag gaan, dat de ik in het boek niet dezelfde is als de schrijver. Werkelijkheid en fictie zijn twee werelden, die niet ongestraft met elkaar vermengd mogen worden. Dat pact staat volgens Joosten op springen, doordat lezers opvattingen van personages in romans opvatten als de opvattingen van de schrijver zelf. Dat is echter niet alleen iets van de laatste jaren. Die fout maakte de criticus Aad Nuis al in de jaren tachtig in zijn bespreking van Mystiek Lichaam, het meesterwerk van Frans Kellendonk. Hij noemde de roman antisemitisch, omdat er een jood in voorkwam die niet bepaald een voorbeeldig leven leidde en geen sympathiek personage was.

Volgens Joosten nemen schrijvers het zelf ook niet meer zo nauw met dat onderscheid. Zo verdedigde Philip Huff zijn roman onlangs door te zeggen dat het allemaal waar gebeurd is. Joosten laat zich kennen als een purist die wars is van allerlei hybride vormen in de huidige schrijfcultuur, waarin iedere willekeurige Nederlander tot schrijver wordt gebombardeerd, als zijn verhaal maar echt gebeurd is. En daar valt zeker wat voor te zeggen. Ook andersom geldt dat. Iemand die non-fictie schrijft mag van Joosten niet rommelen met de feiten.

Hij neemt Willem Otterspeer, de biograaf van W.F. Hermans, kwalijk dat hij het genre van de biografie vermengt met dat van de historische romancier. Wanneer Otterspeer door andere kenners van zijn onderwerp gewezen wordt op feitelijke onjuistheden in zijn biografie beroept hij zich erop dat hij een creatieve (literaire) schrijver is, met andere woorden: hij mag zelf bepalen wat hij als feiten ziet. Het door elkaar mixen van feiten en verbeelding in een biografie, dat ziet Joosten juist, moet vermeden worden. Een biograaf die fantaseert in een biografie schrijft in feite een historische roman.

Afkeer van moderne trends

Joosten heeft een interessante poging gedaan om de neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren. Zijn recensies zijn meesterlijk, maar zijn weergave van enkele discussies binnen de neerlandistiek is nog geen reden de vlag te hijsen. Joosten neemt standpunten in, signaleert trends en stelt overal vragen bij, maar is dat dan de bijdrage van een hoogleraar in de neerlandistiek aan de moderne letterkunde? Het resultaat van al die jaren intensieve omgang met de moderne Nederlandse letterkunde, van lezen, onderzoek, schrijven, uitwisseling met studenten en vakgenoten? 

Het is zeer de vraag of Joosten met zijn afkeer van moderne trends wel diep genoeg graaft. Het lijkt wel of hij een helder standpunt inneemt, maar het is wel heel erg vreemd dat hij in de bundel niet ingaat op het begrip autofictie. Hij ziet blijkbaar niet in dat alle fictie in feite autofictie is. Hij gelooft niet in de waarde van schrijversbiografieën, terwijl hij, in navolging van de door hem hooggewaardeerde Bourdieu, nog wel beweert dat hedendaagse kunstenaars zich rekening dienen te geven van hun speciale positie als autonome kunstenaar van wie de vrijheid van expressie op het spel staat: ‘Met het opkomen voor hun individuele eigenheid, komen ze juist op voor de meest universele waarden.’ Van het bijzondere naar het algemene dus. Was het niet Connie Palmen die zoiets dergelijks zei, door de mond van Ted Hughes in Jij zegt het? Maar over Palmen spreekt Joosten niet in deze bundel. 

Palmen maakte in de romans van haar eigen lot evenzovele plots die door honderdduizenden werden gelezen. Haar werd verweten dat zij haar eigen leven exploiteerde in haar boeken. Maar dat doet iedere schrijver toch, ook de meest autonome schrijver kan in zijn werk niet verder springen dan de polsstok van wat zijn persoonlijkheid aankan. Een literaire schrijver heeft de mogelijkheid om een eventueel betekenisloos en vormloos lot om te zetten in een betekenisvol plot. De echte kunstenaar maakt zijn eigen biotoop, zijn eigen wereld, gedachten, gevoelens, emoties en ervaringen tot een literair kunstwerk dat voor lezers herkenbaar is. Het zal bewondering en literair genoegen opwekken als dat kunstwerk aan het algemeen menselijke raakt en aan de meest universele waarden.

 


Hoera! Een boek, over Nederlands en Nederlandse letterkunde van nu / Jos Joosten/224 blz. / AFdH uitgevers

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Recent

26 december 2023

Beste boeken van 2023

26 december 2023

Een oeverloos bestaan

22 december 2023

Zoektocht naar Nataraja

Literair Nederland - 10 jaar geleden

03 januari 2014

De uit de duim gezogen biografie van een charmante fantast De uit de duim gezogen biografie van een charmante fantast
Recensie door Maarten Buser

Twee van de mooiste poëzie-uitgaves van dit jaar, die niet (oorspronkelijk) Nederlands zijn, zijn van de Amerikaanse dichter Charles Simic (1938). Begin dit jaar verscheen New and Selected Poems: 1962-2012, een uitgebreide keuze uit zijn oeuvre. Bovendien verscheen in oktober Aan de wereld komt geen eind, een integrale vertaling van The World Doesn’t End (1989).