Johan Fretz – Onder de paramariboom

Feel-good

Recensie door Hans Muiderman

Alsof je bij de ik-figuur aan de keukentafel zit. Je krijgt van hem een glas orgeade en zijn moeder snijdt de manja in stukken. Ze kletsen, kwebbelen, het is gezellig. Een sympathieke man, hij vertelt graag en op een luchtige toon. Zijn moeder praat er voortdurend dwars doorheen.

Onder de paramariboom is de tweede roman van Johan Fretz (1985). Eerder verscheen Fretz 2050, dat genomineerd werd voor de Bronzen Uil. Behalve schrijver is Fretz cabaretier en columnist.
In een reis van acht dagen, die begint met een landing op het vliegveld van Paramaribo, gaat de ik-figuur Johannes op zoek naar waar hij vandaan komt. Hij is geboren in Dordrecht, zijn moeder in Paramaribo. Het verhaal wordt afgewisseld met flash backs over de jeugd van Johannes, zijn eigenzinnige vader en zijn (over)enthousiaste moeder.
Zij heeft hem al vaak gevraagd om met haar naar Suriname te gaan. Toen zij elf jaar was vertrok ze en is er nooit terug geweest. Om Johannes te overtuigen van het belang van de reis, liet ze hem gedichten van zijn grootvader lezen.
Surinamers! Dat zijn wij!
Surinamers overal waar jullie zijn
Surinamers blijven jullie voor eeuwig
Wij zijn Surinamers
Een uitnodiging om in Paramaribo een lezing te houden geeft Johannes het definitieve zetje. Na drie dagen zal zijn moeder hem nareizen.

Al direct na aankomst merkt hij dat er iets met zijn lijf gebeurt. ‘Hoe komt het dat ik zo fris en soepel door de straten zweef?’ Zijn lijf voelt zich direct thuis, terwijl zijn hoofd nog ‘op bezoek is’.
Je leert hem kennen als een sympathieke, bij vlagen ontwapenende man. Hij stelt zich voortdurend de vraag: Beweeg ik weg van het verleden (wat hij tot nu toe gedaan heeft) of accepteer ik waar ik vandaan kom?
Een jonge vrouw, die een Nederlandse vader en een Hongaarse moeder heeft, vraagt hem op het terras van zijn hotel of hij zich bewust is van zijn kleur. ‘Ik wil volmondig zeggen van niet,’ denkt Johannes, ‘zoals ik dat altijd heb gedaan, maar ik voel een  nieuwe weerstand. Er is iets in gang gezet en ik kan het niet stoppen, maar ik wil […]dat alles bij het oude blijft – geen kleur zien, geen kleur hebben, althans geen kleur die ertoe doet.’
Op de derde dag landt het vliegtuig met zijn moeder. Bij de douane roept ze: ‘Dag volk, daar ben ik dan’. Als ze elkaar begroeten voelt Johannes dat het anders is. Het is de eerste omhelzing op haar grond, zijn grond.
Fretz vertelt met een lichte toon, soms babbelend, af en toe geestig maar met veel zijpaden. Je leest in een feel-good boek waarbij je sympathie voelt voor de ik-figuur maar zijn verhaal dat blijft op afstand.

Zijn moeder heeft een duidelijk doel voor ogen, in haar tas zit een doosje met daarin zijn navelstreng. Ze begraven die samen, in de tuin van het huis waar zij geboren is, onder een boom. ‘Dag navel van Johannes, mogen de wormen je niet vinden.’ En zo verweeft Fretz de zoektocht naar identiteit met een verhaal over moeder en zoon. Hij vertelt over de crises in het huwelijk van Johannes’ ouders, hun tijdelijke scheiding en de fase waarin de moeder geestelijk de weg kwijt raakte. In deze verdrietige passages verandert Fretz niet of nauwelijks van toon. Ook bij treurnis is ‘feel-good’ zijn kenmerk. En ondanks die sympathieke jonge man, word je als lezer niet geraakt door wat hij vertelt.

Gedachten over zijn etniciteit en identiteit zijn in gesprekken en mijmeringen de rode draad. Zijn moeder zegt tegen Johannes dat hij het woord ‘halfbloed’ niet meer moet zeggen. ‘Het stamt uit de slaventijd. Het betekent half bloed […] en half bloed betekent half mens.’ ‘Dubbelbloed’ is volgens zijn moeder het juiste woord. Johannes proeft dat woord, herhaalt het en belooft zijn moeder dat voortaan te gebruiken. En als ze even later, met haar zus erbij, zingen (‘Johannes, niet met die keurige Hollandse stem van je, ik wil de Surinamer horen.’) moedigt zijn moeder hem aan: ‘…zing zwarter! Er woont in jou een neger.’ En direct daarna corrigeert ze zichzelf: het woord ‘neger’ mag je niet meer gebruiken. ‘Maar,’ zegt ze, ‘het is wel waar, er woont in jou een neger.’ En zo neemt, in het laatste gedeelte van het verhaal, de moeder de leiding in de zoektocht van haar zoon.

Alhoewel de verhouding tussen moeder en zoon aan het eind van Onder de paramariboom liefdevol geschetst is en, voor het eerst in het verhaal, een gevoel van intensiteit oproept, overheerst de luchtige terloopse verteltrant. Met een dergelijk onderwerp is dat niet onaangenaam, maar de zelfrelativering van de ik-figuur, een teveel aan zijpaden en anekdotes maken een gezellige verteltrant nog niet tot een overtuigend boek.

 

 

Omslag Onder de paramariboom - Johan Fretz
Onder de paramariboom
Johan Fretz
Verschenen bij: Lebowski
ISBN: 9789048842889
272 pagina's
Prijs: € 19,99

Meer van Hans Muiderman:

Samen een geheugen

Over 'Of heb ik het verzonnen?' van Herman Koch, Wanda Reisel

Recent

17 juli 2018

Legenden en leven

Over 'De vrouw met het rode haar' van Orhan Pamuk
13 juli 2018

Een oer-Vlaams bestaan, maar dan anders

Over 'Kroniek van een verzonnen leven' van Charles Ducal
11 juli 2018

Een ongrijpbare Kretenzische vrijheidsstrijder

Over 'Kapitein Michalis' van Nikos Kazantzakis
10 juli 2018

Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

Over 'Houdingen' van Sylvie Marie
9 juli 2018

Nederland komt uit het buitenland

Over 'Rivierenland' van Sunny Jansen (auteur), Martin van Lokven (fotograaf)