Jente Posthuma – Waar ik liever niet aan denk

Een raak verhaal over menselijk onvermogen

Recensie door Isabelle van den Heuvel

‘Was ik maar wat banger voor de dood en minder angstig voor het leven,’ schrijft Jente Posthuma (1974) over haar vroegere zelf in een stuk voor Trouw (februari 2021). Het zouden net zo goed de woorden van de zus in haar tweede roman Waar ik liever niet aan denk kunnen zijn, of die van haar tweelingbroer. Levensangst doet hen allebei vluchten, de zus door ongeremd te googelen, de broer door zich op een ‘doordeweekse dag’ al fietsend het diepste punt van een rivier in te storten. De zelfdoding van de broer is waar het in deze roman om draait. Alle observaties en anekdotes zijn verbonden met die ene, definitieve daad en de diepe eenzaamheid die dit bij de zus teweegbrengt.

Het verhaal is opgebouwd uit een reeks korte, heldere stukjes die zich soepel van het heden naar het verleden bewegen en weer terug. Posthuma laat de zus terugblikken op het leven van haar broer, een jeugd getekend door onverschillige ouders en pesterijen op school die, zoals veel gebeurtenissen in deze roman, terloops worden benoemd. Een bevroren hondendrol op zijn schoolbankje hier, een uitgestrekt been dat hem doet struikelen daar. Broer en zus zijn voortdurend in competitie met elkaar om wie het meeste kan en wie het meeste weet. Meestal wint de broer en staat de zus in zijn schaduw, in alle opzichten. ‘Mijn broer was beweeglijker, praatte harder, had grotere driftbuien dan ik.’ Maar zoals vaker bij tweelingen, zijn ze ook bijzonder hecht. Samen bakken ze taarten, ontdekken ze dat ze op jongens vallen en spelen ze gevaarlijke ‘spelletjes’ als ‘waterboarden’ – een scène waar de roman veelzeggend mee opent. Ook smeden ze plannen voor hun toekomst, ‘alsof het een gezamenlijk knutselproject was dat we alleen nog maar hoefden uit te voeren.’

Aantrekken en afstoten

Op hun achttiende verhuizen ze samen naar de stad waar ze ieder een eigen etage betrekken, zij aan de westkant van een park, haar broer aan de oostkant. Slechts driehonderd meter liggen er tussen hen in en toch is dat voor de zus een hele wereld. Na een jeugd als outsider lijkt de broer zijn leven als jong volwassene met verve op te pakken. Hij studeert net als zijn zus Engels, wordt manager in een gaybar, krijgt een vriendenkring en gaat een eigen leven leiden. Op een gegeven moment wordt het park tussen hen een hele oceaan, wanneer zij naar New York en hij daarna naar Brazilië vertrekt en ze elkaar, tot groot verdriet van de zus, een jaar niet zien. De behoeften van broer en zus lopen nooit synchroon en zo wordt het van beide kanten een voortdurend aantrekken en afstoten. Dit wordt pijnlijk duidelijk in de toespraak die hij later, na zijn terugkomst, op haar bruiloft geeft. ‘Hij zei dat het goed voelde om me met Leo zo gelukkig te zien, maar dat hij zich wel een beetje zorgen maakte om zichzelf, hoe het hem zonder mij zou vergaan. Ze was er altijd, zei hij, ook als ik dat niet wilde. […] Hij vertelde over het enige jaar in ons leven dat we elkaar niet zagen […]. Hij was blij dat hij weer bij zijn zusje was, bij mij, want soms was ik wat veel, maar als ik er niet was dan was ik echt te weinig.’

Nadat de broer een liefdesrelatie schijnbaar plotseling verbreekt, raakt hij in een diepe crisis en ontglipt hij de zus volledig – zij begrijpt hem niet en hij kan zijn behoeften niet duidelijk maken. Opvallend zijn zijn zorgen om hedendaagse kwesties: de ondergang van het milieu, het lot van dieren in de vleesindustrie, de ontbossing van het Amazonegebied. Ook zij kan er wat van. ‘Ik schaamde me voor de uren waarin ik mezelf verloor in het zoeken naar verhalen van Holocaustoverlevenden, voor de manier waarop ik het grote leed van anderen gebruikte om mijn kleine leed te verwerken. Om de Holocaust mocht ik huilen.’ Verwoede pogingen om haar broer te bereiken in zijn laatste dagen zijn tevergeefs, een menselijke worsteling waar de wereldliteratuur bol van staat. Na de dood van haar broer slaapt de zus steeds vaker aan de andere kant van het park, in de woning die hij altijd aanhield, waar ze zijn kleding draagt en aan zijn keukentafel zit. Je voelt haar ontreddering, haar eenzaamheid – maar ook die van haar man Leo, die machteloos moet toekijken hoe hij zijn vrouw verliest aan haar dode broer. 

Wat ze mist moet ze erbij denken

Alles benoemen wat mooi is aan deze roman is ondoenbaar. Posthuma heeft weinig woorden nodig om een gevoel of een sfeer op te roepen. Ze schrijft rake zinnen die schrijnende beelden oproepen. Aan uitweiden doet ze niet, aan plot evenmin. Ook naamloos zijn broer en zus levensecht en kruipt hun verhaal onder de huid. In veel opzichten doet het denken aan Verdriet is het ding met veren, het indrukwekkende debuut over rouw van Max Porter. Net als in die roman zit de kracht hem in de details of toevoegingen die het verhaal diepte geven, en lading. Vooral wanneer het gaat over de zus en haar kleine, allesoverheersende obsessies. Haar aftandse, tweedehands bank in een ‘verkeerde kleur geel’ bijvoorbeeld, of haar asymmetrische gelaatstrekken; wat ze in haar leven mist, moet ze erbij denken. ‘Soms bedekte ik een klein stukje van de bank met de juiste kleur geel uit het stalenboek en dan dacht ik de rest van de bank er in die kleur bij. Soms dacht ik mijn ogen op gelijke hoogte als ik in de spiegel keek. Of ik dacht mijn broer erbij, zoals hij vroeger naast mij stond als we onze tanden poetsten, hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne.’ Het zijn dit soort combinaties – de juiste kleur geel in één adem noemen met het gemis van de broer, gekoppeld aan details – ‘hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne’ – die de tekst tot leven brengen en de lezer rechtstreeks in het hart raken.

In eerdergenoemd stuk voor Trouw schrijft Posthuma dat de verkoop van Waar ik liever niet aan denk nauwelijks op gang kwam door de coronacrisis. Hopelijk is daar ondertussen verandering in gekomen, want dit boek verdient een groot lezerspubliek. 

 

Omslag Waar ik liever niet aan denk - Jente Posthuma
Waar ik liever niet aan denk
Jente Posthuma
Verschenen bij: Uitgeverij Pluim 2020
ISBN: 9789492928481
239 pagina's

Meer van Isabelle van den Heuvel:

Recent

7 december 2022

Smaakvol en leerzaam verhaal over hygiëne

Over 'Het mooiste boek van grote viezigheid - een onfrisse geschiedenis' van Monika Utnik-Strugata en Piotr Socha
5 december 2022

Het belang van de glimlach

Over 'Glimlach' van Sarah Ruhl
2 december 2022

Verdomme...!

Over 'De schaduw van een vriend' van Maarten Asscher
30 november 2022

Levensveranderende zomer

Over 'Dat soort vrienden' van Meg Rosoff
29 november 2022

Thuis in het ongemakkelijke verleden – Armando’s Berlijnse stukken gebundeld

Over 'Uit Berlijn - Machthebbers - Krijgsgewoel, Gedachten en notities' van Armando

Verwant