Jaap Goedegebuure – Kellendonk

Een loner op zoek naar verbondenheid

Recensie door Eric de Rooij

In een schrijversbiografie gaat het niet alleen over het werk maar ook over de persoon. Wie was de auteur? Met wie was hij (of zij) bevriend? Wat deed hij of wat liet hij na? Het is in een recensie natuurlijk glad terrein om een moreel oordeel te vellen over het handelen van een persoon, maar de eerste reactie die je zou kunnen hebben bij het lezen dat de seropositieve Kellendonk willens en wetens onveilige seks met andere mannen had: die Kellendonk, wat een zak. ‘Herhaling van de misdaad verzacht het schuldgevoel’, schrijft hij in zijn dagboek. De biograaf citeert daarbij een romanpersonage van Kellendonk: ‘Als ik geen engel kan zijn, dan ben ik maar een duivel.’ Het levert één van de meest ontluisterende bladzijdes op in deze omvangrijke biografie.

Kellendonk. Een biografie van Jaap Goedegebuure (1947), inmiddels emeritus hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, is het slotakkoord van zijn onderzoek naar het leven en werk van één van de meest opvallende Nederlandse auteurs uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. In 2015 publiceerde Goedegebuure, in samenwerking met Oek de Jong, het – werkelijk prachtige – brievenboek van Kellendonk, prima ingeleid en geannoteerd. Wie De Brieven las, zal in de biografie vooral veel herkenning vinden.

Frans Kellendonk (1951–1990), geboren in Nijmegen, vestigt al op jonge leeftijd zijn naam in de Nederlandse literatuur met zijn debuut Bouwval in 1977 en zijn, bijna naadloos hierop volgend toetreden tot de redactie van het literair tijdschrift De Revisor. Hij vertaalt onder meer Laurence Sterne, John Fowles en Emily Brontë en schrijft essays en reportages. Met Mystiek lichaam, zijn laatste roman, wordt hij middelpunt van een heuse rel – hij wordt beschuldigd van antisemitisme, zijn twijfel over de multiculturele samenleving wordt gehoond en ook zijn weinig progressieve visie op homoseksualiteit valt bij veel critici verkeerd. Pasten zijn conservatieve opvattingen over de samenleving totaal niet in de tijdgeest van de jaren tachtig, nu zou Kellendonk, mocht hij nog steeds dezelfde opvattingen hebben gekoesterd, een warm onthaal vinden bij veel politici, zo betoogt Goedegebuure in het slothoofdstuk van de biografie, daarmee de actuele relevantie van het werk van Kellendonk benadrukkend.

Wie was Kellendonk? Een paar kernwoorden: fysiek een aantrekkelijke jongeman, homoseksueel, zwijgzaam, zuinig, moeizaam in relaties, te beginnen met zijn familie. Hoe hij bijvoorbeeld bazig zijn zwangere zus de les leest, omdat hij zichzelf eerstverantwoordelijke van de familie vindt, is bijzonder pijnlijk om te lezen. (Een moreel superieure houding die in schril contrast staat met zijn eigen latere gedrag tegenover zijn sekspartners.) Ook in de liefde toont hij zich een moeilijk mens. Zijn relatie met de meer flamboyante Thijs Westerhout eindigt in een grote deceptie.

In zijn werk is Kellendonk een verdienstelijk vertaler en een scherp polemist. Lees maar eens hoe hij de Komrij-vertalingen van de toneelstukken van Shakespeare door de mangel haalt. Wat telkens terugkeert, is juist Kellendonks verlangen naar verbondenheid, traditie en zijn praktiserend kluizenaarschap. Die behoefte aan verbondenheid zie je terug in zijn visie op religie. Ook al gelooft Kellendonk zelf niet meer, hij onderkent wel het belang van een kerk als gemeenschap. Het liefst wil hij zich deel voelen van een groter geheel, maar in de praktijk kiest hij voor een meer solitair bestaan. Kellendonk, de schrijver en de mens, blijkt opgebouwd uit paradoxen.

Stilistisch en inhoudelijk komt de biografie pas halverwege op gang, wanneer Kellendonk Nijmegen verlaat en naar Amsterdam vertrekt. In een interview vertelt Goedegebuure dat hij juist veel aandacht wilde besteden aan de middelbare-schooltijd van Kellendonk, zijn vormende jaren. Maar juist in de eerste honderdvijftig pagina’s kiest de biograaf voor wat truttige zinswendingen. Vooral als het gaat over homoseksualiteit verslikt Goedegebuure zich in oubollige, vast ironisch bedoelde zinswendingen – hij overtreft daarmee het ongemak van Kellendonk zelf met dit onderwerp. Als Kellendonk lid wordt van de schoolkrantredactie: ‘Je boekt er sowieso succes mee bij jongerejaars en (…) ook bij de meisjes, al is het de vraag of Kellendonk zich daarvoor heeft geïnteresseerd.’

Of: ‘Kellendonk heeft zich er nooit over uitgelaten in hoeverre hij (…) al dan niet met eigen instemming, door een liefdevolle pater in zijn eenzaamheid is getroost’. Dan het commentaar op een heteroseksuele seksscène: ‘Echt vrouwvriendelijk klinkt het niet, maar dat viel van de Kellendonk die ertegen opzag om een baarmoederlijk gat te moeten vullen ook niet te verwachten.’ Het lijkt een vooruitwijzing naar de zogenaamde baarmoedernijd van Kellendonk, maar het zijn zinnen waarvan je als lezer niet meteen blij wordt.

Goedegebuure lijkt meer plezier te hebben als hij vertelt over het Academisme (een stroming waar Kellendonk niet bij wil horen), als hij uitlegt wat wordt bedoeld met oprecht veinzen en hoe Kellendonk de maat neemt van de Nederanglisten of wanneer hij Kellendonks colleges over Vondel behandelt. Dan is Goedegebuure een verteller die werkelijk grip op zijn materiaal heeft. De rel rond Mystiek lichaam, de nauwgezette weergave van alle reacties op het boek, en Kellendonks antwoord aan zijn critici vormen het interessantste deel van de biografie. Wat bijblijft: Goedegebuure toont met precisie aan hoezeer Kellendonks verhalen autobiografisch van karakter zijn. Ontroerend is Kellendonks brief aan zijn oude geliefde Westerhout wanneer hij, doodziek inmiddels, is opgenomen in het Prinsengrachtziekenhuis. De man die tussen hem en de wereld een pantser opgetrokken had, schrijft: ‘Nu ben ik afhankelijk geworden, met een schok, van de hulp en hartelijkheid van anderen, en het blijkt géén afschuwelijke ervaring te zijn, integendeel, een bevrijding.’ Misschien was het voor de creativiteit van de schrijver dodelijk geweest, maar de mens Kellendonk was zo’n inzicht eerder in het leven gegund.

Nog één opmerking dient gemaakt te worden en wel over de slotzinnen van de verschillende hoofdstukken. Goedegebuure vond het belangrijk om nagenoeg telkens af te sluiten in apotheose. Dan krijg je tromgeroffelzinnen als ‘Inmiddels was het moment aangebroken waarop de schrijver Frans Kellendonk eindelijk zijn opwachting in de Nederlandse literatuur maakte.’ Of ‘Het was ook in die hoedanigheid dat hij na thuiskomst meteen een appeltje wilde schillen met zijn oudste zus Anne-Marie’. En: ‘In minder dan vijf jaar tijd waren het de muren die neerkeken op een man die gebroken op zijn ziekbed lag’. Cliffhangers die het misschien goed doen in het thrillergenre, maar een stilistisch zwaktebod zijn voor een biograaf die desondanks met deze biografie een meesterproef heeft afgelegd.

 

Omslag Kellendonk - Jaap Goedegebuure
Kellendonk
Jaap Goedegebuure
Een biografie
Verschenen bij: Querido(2018)
ISBN: 9789021409979
548 pagina's
Prijs: € 29,99

Meer van Eric de Rooij:

Recent

24 juli 2019

De ziel is het vijfde wiel aan de wagen

Over 'Partizaan Winter' van Giacomo Verri
23 juli 2019

Het is niet allemaal om te lachen

Over 'Vigor Anorexia' van Norbert de Beule
12 juli 2019

De positie van vrouwen in de maatschappij

Over 'Oplossingen' van Marja Pruis
3 juli 2019

Literatuur als gebed en houweel

Over 'Koers Zuid, richting Noord' van Ariel Dorfman
2 juli 2019

Literair spel van de schrijver

Over 'De groene gravin' van Rob Schouten

Verwant

Te hoog gegrepen

Over 'Het laatste testament van Frans Kellendonk' van Arie Storm