Iris Hanika – Het eigenlijke

Duitse humor

Recensie door Martenjan Poortinga

De Duitse schrijfster Iris Hanika (1962) was journaliste voor onder andere de Frankfurter Allgemeine Zeitung en publiceerde diverse romans, waaronder Das Eigentliche, in het Nederlands uitgebracht onder de titel Het eigenlijke. Het boek werd onder meer onderscheiden met de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Preis der LiteraTour Nord.
Hoofdpersoon Hans Frambach werkt als archivaris bij het Instituut voor Exploitatie van het Verleden, waar hij documenten uit de nalatenschap van één overlevende van de kampen archiveert. Het Instituut moet enorm zijn want Hans werkt op de zestiende verdieping. We leren alleen de receptioniste en Hans’ directe chef kennen. Met de receptioniste heeft hij een ijzige band, zijn chef overdondert hem. Hij stuurt hem naar Shanghai om daar kisten met spullen van een uit Duitsland geëmigreerde Joodse componist op te halen. De chef is alleen maar bezig zich te laten gelden binnen de wereld van de archieven om budget los te peuteren en een naam te vestigen. Het verleden speelt voor hem niet echt een rol.

Herdenkingsindustrie

Het Instituut is opgericht om de Duitser te confronteren met het oorlogsverleden en met het gegeven dat niet alleen herdenkingen daarin belangrijk zijn maar ook het duister zelf. Dat was de grondslag van de stichting: ‘Iedereen wist het. Het was geen geheim en stond niet ter discussie. Het was echt het eigenlijke.’
Hans is eenzaam en niet gelukkig en lijdt onder een schuldgevoel over de Naziterreur. Hij windt zich op over het feit dat hij zo druk bezig is met die zwarte en zware periode uit de geschiedenis, terwijl de maatschappij er steeds onverschilliger voor wordt. Hij verwijt de Duitsers de doodzonde van ‘acedia’ (luie onverschilligheid) en noemt de Stolpersteine en het grote Holocaustmonument in Berlijn producten van de Herdenkingsindustrie: niet gericht op het eigenlijke maar op vermaak, zoals films over de oorlog. ‘Ons verleden is voor het massapubliek compatibel geworden. Ze hebben het goed laten uitrijpen en alle nuances ervan afgeschuurd.’
Ook ergert hij zich aan het feit dat de kerken zich het Leed toe-eigenen. Ze vergelijken Auschwitz met Golgotha en suggereren zo dat het lijden een hogere zin had. Hans maakt zich vreselijk driftig over de claim die de kerk legt op de ellende van de oorlog en deze gebruikt om haar eigen gelijk te halen. ‘Wat eigenlijk niet te verdragen is, is de volkomen zinloosheid van dat leed. Elk leed. Het is de zinloosheid, niet het lijden dat niet te verdragen is. Omdat die zinloosheid, de zinloosheid van deze misdaad je algauw tot het inzicht brengt dat überhaupt alles zinloos is.’ laat Hanika hem zeggen.

Hans heeft een vriendin, Graziela, bij wie hij zijn verhaal, zijn eenzaamheid en zijn zwaarte kwijt kan. ‘De enige mens met wie hij praatte, die met hem praatte, de enige mens, een gouden stapsteen in de grijze zee.’ Ze spreken elkaar bijna dagelijks, meestal telefonisch. Hij hoopt een relatie met haar te beginnen, maar Graziela kiest voor haar minnaar, een getrouwde man. Ze praat veel met Hans om haar geluk en haar twijfels over deze minnaar te delen en schroomt niet om Hans midden in de nacht te bellen als de minnaar het uitmaakt. Graziela heeft veel invloed op Hans, die zich gemakkelijk laat manipuleren. Uiteindelijk neemt hij een beslissing.

Eigentlichkeit en uneigentlichkeit

Deze roman van Hanika is geprezen om zijn ironische en lichte benadering van een collectief fout verleden in Duitsland. Als Nederlander missen wij misschien wel het een en ander van die, mogelijk typisch Duitse, ironie. Die is niet altijd te duiden en verwijst mogelijk naar bronnen die we in Nederland minder of niet kennen. In 1965 werd een essay gepubliceerd over humor bij Thomas Mann. De schrijver, Käte Hamburger, stelt daarin dat de humor bij Mann berust op een volgehouden contrastwerking tussen “Eigentlichkeit” en “Uneigentlichkeit”.
‘Met Eigentlichkeit bedoelt ze de mythes en illusies over de werkelijkheid die in de loop der tijd bij elkaar zijn geschreven, verteld en gefabuleerd en tot een ideologisch conglomeraat gesmeed waarbinnen mensen functioneren en elkaar zand in de ogen strooien. Humor moet je daarin kunnen zien, je moet het willen zien.’ Dit citaat komt uit de zinvolle en behartenswaardige beschouwing over de humor bij Thomas Mann die Kees ’t Hart in zijn laatste bundel (Victorien, ik hou van je, 2021) heeft opgenomen. Voor de humor in Het eigenlijke gaat dat misschien ook wel op.

De keuze voor de vertaling van de titel van de roman, Het eigenlijke, had treffender gekund. Mooier, passender, duidelijker zou wellicht Het wezenlijke zijn. Tegenwoordig wordt er eigenlijk in zo goed als elke zin (kijk naar de talkshows) ‘eigenlijk’ gebruikt: dat is onnadenkend en mogelijk een uiting van overdreven onzekerheid of valse bescheidenheid of gewoon communicatieve onhandigheid. In de meeste gevallen is het eigenlijk storend en overbodig. Los daarvan heeft Iris Hanika een bewonderenswaardige roman geschreven die een groot taboe op een andere wijze durft te belichten. 

 

Omslag Het eigenlijke - Iris Hanika
Het eigenlijke
Iris Hanika
Vertaling door: Jantsje Post
Oorspronkelijke titel: Das eigentliche
Verschenen bij: Arbeiderspers
ISBN: 9789029541374
200 pagina's
Prijs: € 20,00

Meer van Martenjan Poortinga:

Verwant