14 januari 2011

Het nut van pessimisme – Roger Scruton

Het gezond verstand mijdt gouden bergen

Recensie door Albert Hogeweij

 

Crisis of niet, in onze tijd heeft optimisme nog steeds goede papieren. Problemen zijn uitdagingen, succes heet een keuze, en het vertrouwen in de toekomst is nog steeds onmetelijk groot. De mensen beweren graag van zichzelf positief in het leven te staan. Het westerse vooruitgangsdenken is gestoeld op het opgewekte idee dat de mensheid vorderingen boekt en een gestage ontwikkeling volgt naar een steeds minder imperfecte vorm van perfectie. Oh, yes we can!

Optimisme lijkt wel in onze genen te zitten. Je krijgt alleen soms zo’n jeuk van al die spontane, proactieve, optimistische tiepjes, en daarom is het zo verkwikkend om je geest nu eens te kunnen laven een boek dat Het Nut van Pessimisme heet, met als bijpassende, niet mis te verstane ondertitel en de gevaren van valse hoop. Aan zulke titels heeft het lang ontbroken. En het is niet eens van de hand van de negentiende-eeuwse aardspessimist Arthur Schopenhauer, maar van de hedendaagse Engelse filosoof Roger Scruton. Deze werd in Nederland bekend door deelname aan Van de Schoonheid en de Troost, een serie televisiegesprekken die Wim Kayzer had met vooraanstaande intellectuelen, kunstenaars, wetenschappers aan het einde van de vorige eeuw, toen elitarisme nog niet in een kwade reuk stond. Scruton brak in die serie, waarin hij meestentijds in een gebreide trui bij het haardvuur zat, als hij zich niet bij de door hem zo geliefde vossenjacht of zelf musicerend liet portretteren, een lans voor de traditionele vorm van leven, in een kleine gemeenschap, die zich sterk verbonden wist met de grond en omgeving. Hij gaf hoog op van het belang van Kunst met een grote K en van tradities. Die laatste waren er niet voor niets, want anders waren ze er niet geweest, was zo’n beetje het argument. In kunst en religie kon de hedendaagse mens ijkpunten vinden voor z’n persoonlijke ontwikkeling. Natuurlijk speelde er zo nu en dan een superieur lachje rond zijn mondhoeken als hij zijn punt had gemaakt. Maar even vaak toonde hij zich een nederig en bescheiden man, die zich de tijd had gegund grondig over de dingen na te denken. Een intrigerende filosoof, die met zijn conservatieve standpunten jarenlang onder vuur had gelegen in de academische wereld, maar sindsdien zijn gram haalde in een indrukwekkende reeks filosofische publicaties en media-optredens, zodat tegenwoordig niemand meer om hem heen kan.

Maar eens kijken wat die Scruton met z’n jongste publicatie ons nu weer heeft bereid.
Meteen op de eerste pagina komt de waarschuwing dat we het pessimisme in de titel niet op z’n ‘Schopenhaueriaans’ moeten interpreteren. Dus de verwachting dat we hier een zwartgallige debunking van het optimisme tout court geserveerd zullen krijgen, wordt meteen de grond ingeboord. Scruton mikt eigenlijk op de uitwassen van het optimisme: het zogeheten ‘gewetenloze optimisme’. Dat staat bij hem voor een utopisch bevlogen variant die al tot handeling in de toekomst overgaat, eer het over het verleden heeft nagedacht. Die uitgaat van de maakbaarheid van de mens en er geen been in ziet het mes te zetten in eeuwenoude tradities en consensus als deze verondersteld worden diezelfde maakbaarheid te frustreren. Scruton, die ook in dit boek zich weer van zijn eloquente kant toont, speelt graag de rationele kaart en brengt Poppers eis van falsifieerbaarheid in stelling in de strijd tegen het ‘gewetenloze optimisme’ dat zich maar al te vaak te buiten zou gaan aan niet wetenschappelijk te verifiëren doelstellingen en methodes. Dat hij het optimisme an sich niet op de korrel neemt, blijkt wel uit het feit dat hij een ‘gewetensvolle optimist’ niet als een contradictio in terminus beschouwt. Moet de gewetensvolle optimist gewantrouwd worden, ook de systematische pessimist moet buiten de deur worden gehouden. Beiden zijn evenzeer ‘doordrenkt van illusies en even destructief voor de alledaagse redelijkheid.’

Geloof, hoop en liefde mogen algemeen aanvaarde deugden zijn, maar Scruton is ervan overtuigd dat ‘hoop, wanneer die wordt losgemaakt van geloof en niet wordt afgezwakt door historische feiten, een gevaarlijke eigenschap is, die niet alleen bedreigend is voor de mensen die haar omarmen, maar voor iedereen die binnen het bereik van hun illusies verkeert.’ Gewetenloze optimisten menen dat de moeilijkheden van de mensheid overwonnen kunnen worden middels een of andere aanpassing op grote schaal. Dat de loop der geschiedenis hen keer op keer ongelijk geeft, doet er niet toe, want deze groep optimisten kenmerkt zich ook nog eens doordat zij niets van het verleden leren. Voor hen lijkt Scruton dit boek dan ook niet geschreven te hebben, want ‘de geest die ten prooi is gevallen aan de drogredenen die ik in dit boek onder de loep leg, raakt die simpelweg nooit meer kwijt.’ Zaak dus te meer om goed op te letten als lezer, want er is geen terugweg meer na de verkeerde afslag. In de grond van de zaak is Scruton vooral ook humanist als hij zegt te hopen dat men leert ‘mensen als mensen lief te hebben zonder te hopen dat ze in iets anders zullen veranderen.’ We zouden moeten erkennen dat ‘elke vorm van vrijheid, geluk en genegenheid die we kunnen veroveren, afhankelijk is van onze samenwerking met mensen die even zwak en egocentrisch zijn als wijzelf.’ Geloof is bij Scruton geen zaak van onfeilbare dogma’s, maar eerder van tolerantie. De ‘doorsneegelovige krijgt de boodschap dat het koninkrijk van God niet van deze wereld is, dat we ons in dit leven moeten bewegen met de behoedzaamheid die onze instincten suggereren, en dat iedere poging om een hemel op deze aarde te bouwen even aanmatigend is als irrationeel.’ Dat de fundamentalistische variant, doordrenkt als die is met illusies en levensverachtende dogma’s, niet voldoet, heeft Scruton dan al uitgelegd. Onbeschaamd opportunistisch wordt-ie als hij doodleuk schrijft: ‘je zou zelfs kunnen zeggen dat het een van de functies van religie is om optimisme te neutraliseren.’ Je hoort ook wel eens dat van regen je haar gaat groeien. Hoewel Scruton aanstekelijk schrijft is het goed om zelf waakzaam te blijven, want was Scruton ook niet die auteur die zijn column in The Financial Times kwijtraakte nadat was uitgelekt dat hij door een Japanse tabakgigant dik betaald werd om rookvriendelijke artikelen voor de media te schrijven? Aan de andere kant moet beslist gezegd dat Scruton hier en daar met de mooiste pareltjes strooit: ‘Gewetensvolle mensen aanvaarden de wereld en haar onvolmaaktheden, niet omdat die niet vatbaar is voor verbetering, maar omdat veel van de verbeteringen die ter zake doen eerder bijproducten van onze samenleving zijn dan het doel ervan.’ Scruton hoopt in ieder geval het ‘kostbare virus van de twijfel te laten inwerken op het gepantserde immuunsysteem van de vooruitstrevende idee’. En zelfs de auteur ontkomt niet aan een beetje valse hoop als hij beweert dat ‘de wereld in wezen een veel betere plek [is] dan de optimisten willen weten.’

Het verschil tussen optimisten en pessimisten wordt zichtbaar in de tegenstelling van de ‘ik-houding’, die rusteloos ‘de richting en het doel van het menselijke gedrag wil veranderen’ en daarbij enkel denkt in termen van te nemen hindernissen, in plaats van menselijke restricties, versus de ‘wij-houding” die inziet dat vrijheid verantwoordelijkheid betekent, en naar ‘stilstand en aanpassing zoekt om ons met elkaar en wereld te laten samenvallen.’ Kort gezegd gaat het hier om het in zijn hoogste versnelling najagen van illusies versus de gulden middenweg van het gezonde verstand. De ik-houding krijgt negatieve kwalificaties toegedicht, terwijl de wij-houding in zachte pasteltoetsen wordt gepenseeld: ‘de wij-houding is omzichtig. Ze ziet menselijke beslissingen als gesitueerd, als ingeperkt door plaats, tijd en gemeenschap; door gebruik, geloof en wet. Ze spoort ons aan om ons niet altijd in het gewoel te storten, maar om een stapje opzij te doen en te reflecteren. Ze legt de nadruk op restricties en grenzen, en herinnert ons aan de menselijke onvolmaaktheid en aan de broosheid van echte gemeenschappen. Haar besluiten houden rekening met andere mensen en andere tijden. De doden en ongeborenen hebben evenzeer een stem in hun overwegingen als de levenden. En tegenover het ‘druk het erdoor’ en ‘altijd vooruit’ plaatst ze het ‘iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’ Ze hangt geen alomvattend pessimisme aan, maar pleit voor een incidentele dosis pessimisme, om de hoop te temperen die onze ondergang zou kunnen betekenen. Het is de stem van de wijsheid in een wereld vol rumoer. En juist daarom hoort niemand die stem.’ De bekommernis om de doden en de ongeborenen vooral, reminisceert aan Edmund Burke, de grondlegger van het conservatisme. En het benadrukken van zaken die te vermijden zijn boven die welke nastrevenswaardig zijn, doet denken aan Kants ‘categorische imperatief’. En de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith mag bij Scruton ook meedoen, zij het niet in economische zin (want Scruton is niet zo van de vrije markteconomie), maar veeleer sociaal: als iets dat de orde in de samenleving uit besluiten en overeenkomsten laat ontstaan. Het op basis van onderhandeling tot stand gekomen ‘wij’, staat voor de onzichtbare hand van de consensuspolitiek. Weinig mensen zullen zich geroepen voelen hiertegen te protesteren, maar hoe reëel is intussen deze paradijselijke schets? Wie anders dan een clubje welgestelden op het Engelse platteland kan menen voor de verwezenlijking van dit soort idealen in de wieg te zijn gelegd? De Engelsen lijken hierbij misschien in het voordeel, want, zo verkondigde Scruton in een interview, ‘ze verkiezen redelijkheid boven de Rede. Ze proberen niet van perfectie uit te gaan. Wij zijn een probleemoplossend volk van traditionalisten dat weinig gevoelig is voor idealen of utopieën.’ De kracht van dit boek ligt niet zozeer in de remedie als wel in het diagnosticeren van de kwaal. Want daarin legt Scruton herhaaldelijk de vinger op de zere plek.

De valse hoop bedient zich van een aantal drogredenen, waarvan Scruton er een zevental, die stilaan gangbaar zijn geworden in de politiek en samenleving, nader analyseert en van elk uiteenzet welke schade het de mensheid heeft berokkend. Deze drogredenen lijken de hoop te rechtvaardigen of op z’n minst de teleurstelling draaglijk te houden. Zijn voorbeelden zijn ontleend aan verschillende terreinen, maar komen hierin overeen: ‘ze tonen aan dat er aan de basis van de visie van de gewetenloze optimist een misvatting ligt die zo overdonderend evident is dat alleen iemand die aan zelfbedrog lijdt haar over het hoofd heeft kunnen zien.’ De auteur neemt hierbij de lezer graag bij de hand blijkens vooruitwijzingen als ‘dat breng ik een volgend hoofdstuk aan de orde’ of terugverwijzingen ‘zoals ik in een eerder hoofdstuk heb toegelicht’. Het maakt overduidelijk dat dit boek tenminste niet een verzameling eerder gepubliceerde essays betreft.

Als eerste houdt Scruton de ‘drogreden van het beste geval’ tegen het licht. Bij het opstellen van hun toekomstplannen gaan gewetenloze optimisten uit van het best mogelijke resultaat, zonder met een eventueel fiasco rekening te houden. Het is de geestesinstelling van een gokker. Een sprekend voorbeeld van de nefaste uitwerking van de ‘drogreden van het beste geval’ vindt Scruton in de huidige kredietcrisis. Deze crisis ziet Scruton niet als een weerlegging van de beginselen van de vrije markt, maar als een toonbeeld van hoe zaken uit de hand kunnen lopen als dit soort drogredenen het overheidsbeleid gaan bepalen. Een zekere wet uit 1977 van de Amerikaanse president Jimmy Carter eiste van Amerikaanse banken dat ze gingen voorzien in de kredietbehoeftes van de huishoudens met lage inkomens, zodat ook deze achtergestelde groep ‘het rijk van het huiseigenaarschap zouden betreden.’ In het beste geval zouden zowel de banken als de gemeenschap hiervan profiteren. Maar ja, het liep net even anders. Terwijl een ‘kleine dosis pessimisme’ eraan had kunnen herinneren dat het vertrouwen in de financiële wereld alleen gediend kan zijn met reële perspectieven inzake de solvabiliteit van de debiteuren. Scruton ontwaart hier ‘een soort verslaafdheid aan het irreële die voeding geeft aan de meest destructieve vorm van optimisme.’
Een andere drogreden die fatale gevolgen heeft gehad voor de mensheid is die volgens welke de mens vrij zou worden geboren. Deze drogreden heeft wortel kunnen schieten dankzij Het Maatschappelijk Verdrag van Rousseau. Het mag onderwerp van debat zijn of de geestelijke vader van deze drogreden nu optimist of pessimist was, voor Scruton staat vast dat Rousseau  ‘de taal en het denken [introduceerde] waarin een nieuwe opvatting over menselijke vrijheid aan de orde werd gesteld, die zegt dat vrijheid datgene is wat overblijft wanneer we een einde maken aan alle instellingen, alle restricties, alle wetten en alle hiërarchieën.’

Het door Rousseau gemunte begrip hoefde alleen maar in verkeerde handen te vallen en je had de poppen aan het dansen. De gevolgen bleven dan ook niet uit: ‘De Franse Revolutie is maar een van de vele historische gebeurtenissen die ons duidelijk maken dat bevrijdingsbewegingen, waarin ze erin slagen om de staat te vernietigen, allereerst tot anarchie, en na verloop van tijd tot totalitaire terreur’ verworden. Voor Scruton is vrijheid alleen echt ‘wanneer die bezegeld wordt door de wetten en instellingen die ervoor zorgen dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar, die ons ertoe verplichten om de vrijheid van anderen te erkennen.’ Zulke wetten hebben hun wortels in het Romeinse verleden, het ‘natuurrecht van de Romeinse juristen’. Vrij worden we niet geboren. Vrijheid is iets dat verworven moet worden. Enfin, dezelfde drogreden heeft nog meer op z’n geweten; want ook de catastrofale hervormingen in het onderwijs zijn eraan toe te schrijven. Onderwijsdeskundigen ? prachtig afgeserveerd in de bijzin: ‘dikwijls mensen die zich zo weinig in staat hadden getoond om kennis van een echt vak te verwerven dat ze in plaats daarvan maar hadden besloten te leren hoe je een zo’n vak moest doceren’- stelden in de jaren ’60 het ene rapport na het andere op waarin ze verkondigden dat het ‘bij onderwijs niet gaat om gehoorzaamheid en studie, maar om zelfexpressie en spel.’ Dit ‘progressieve onderwijs’ maakte van de onderwijzer een ‘spelmakker’, maar het noodzakelijke stampwerk en het bijbrengen van het kind van essentiële waarden van een samenleving, gebaseerd op gehoorzaamheid en restricties werden naar de prullenbak verwezen. Met als gevolg een legioen ‘narcistische kinderen’ die overgeleverd zijn aan ‘willekeur’ en voor wie de ‘hindernissen die anderen voor hen opwerpen’ een permanente ‘bron van woede en vervreemding’ zijn.

Verder laat Scruton de volgende drogredenen de revue passeren: die van de utopie (de utopist voedt zich met ‘rancune jegens hen die zich prettig voelen bij de gewone wereld van het menselijke compromis.’); die van nulsom (‘als mij is iets is mislukt, dan komt dat doordat een ander is geslaagd’) waarin Scruton het ‘derde-wereldisme’ (armoede in Afrika is het directe gevolg van Europese welvaart) en het anti-amerikanisme in de Islamitische wereld behandelt; die van de planning (de mythe dat oplossingen voor collectieve problemen van bovenaf kunnen worden opgelegd in plaats van gevonden, en dat dat vinden tijd kost). In dit hoofdstuk belijdt Scruton zijn aversie tegen de Europese Unie en de eurocraten; die van de voortgaande geest (de geschiedenis toont een onafgebroken ontwikkeling ? erfenis van Hegel ? zodat alles wat er gebeurt, kan worden toegeschreven aan de ‘tijdgeest’. Het zou een aan de wetenschap ontleend vooruitgangsdenken ten onrechte aanwenden voor de menselijke cultuur als geheel. Met als reëel gevaar dat bepaalde zaken (bijv. emancipatieprocessen) er als onvermijdelijk doorheen worden geramd, omdat ze eenmaal werden ‘aangedreven door de onverbiddelijke veranderingen van de Zeitgeist.’; die van de samenvoeging waarbij verschillende deugden samengevoegd nog deugdzamer zouden uitpakken. De leuze ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ gaat voorbij aan de tegenstrijdigheid tussen de begrippen vrijheid en gelijkheid. In dit hoofdstuk gaat de schrijver tekeer tegen positieve discriminatie en multiculturalisme.

Ik geloof niet dat Scruton in dit boek een van zijn stokpaardjes op stal gehouden heeft. Bij iedere optimistische misser geeft Scruton aan hoe het had kunnen worden voorkomen. Namelijk door … een uitgekiende dosis pessimisme gedrenkt in traditie, ofwel: gezond verstand. Scruton betoont zich een pleitbezorger van het pessimisme in de zin dat hij zich afkeert van ‘allesomvattende visioenen’, en in plaats daarvan ‘het beeld van de menselijke onvolmaaktheid voor ogen houdt’. En daarin komt het aan op ‘de gewoonte van de vergeving en die van de ironie’. Zowel vergeving als ironie aanvaarden eerder dan ze verwerpen, en zijn beide ruimtescheppend. Zelfironie is de auteur ook niet vreemd waar hij in zijn Woord Vooraf zijn vrouw Sophie bedankt ‘die met een bijzonder lastig geval te maken heeft en toch nog steeds kan blijven lachen.’ Het kan niet anders of het moet een op pessimisme gestoeld huwelijk zijn!

Na de reeks drogredenen volgen nog enkele hoofdstukken waarvan vooral dat getiteld Ons beschaafde heden eruit springt, waarin hij de conservatieve strategie van geleidelijkheid uiteenzet. Het boekje eindigt met het kortste hoofdstuk Onze toekomst als mens met een waarschuwing voor de toekomst: de transhumanisten, die de sterfelijke mens van vlees en bloed in de nabije toekomst vervangen ziet worden door cyborgs, met toegenomen bereik en macht en een groter vermogen. Behalve dat Scruton in kort bestek duidelijk maakt aan welke drogredenen de gewetenloze club van het transhumanisme zich gelijktijdig bezondigt, stelt hij nog eens duidelijk dat de waarde van het leven van de mens onlosmakelijk met zijn sterfelijkheid verbonden is. Beter kan men zich daarop bezinnen, dan zich te verliezen in irreële hoop. Een boek zonder abstracte of dorre passages is dan ten einde.

Valt er wat van te leren? Dacht van wel. Het betoog van Scruton biedt ook voor wie zichzelf niet in eerste instantie als conservatief ziet, genoeg stof voor overdenking. Natuurlijk is Scutons beeld van de traditie sterk geïdealiseerd. Hij beschrijft vaak hoe het zou moeten zijn, maar of het er ook zo daadwerkelijk aan toegaat? Hij besteedt geen aandacht aan het door traditie gefaciliteerde machtsmisbruik (het seksueel misbruik in de kerken komt bijvoorbeeld niet aan bod). Af en toe schiet hij uit de bocht, waar hij bijvoorbeeld de toename van kindermisbruik toeschrijft aan de moderne gezinnen, waarin kinderen opgroeien met de nieuwe vriend van de gescheiden moeder, die allerminst genegen zou zijn het door een ander verwekte kroost te beschermen. Toegegeven: tegenwoordig zijn het voornamelijk echtscheidingen die gezinnen uiteenrukken, maar in vroeger eeuwen was het de dood die stiefvaderschap schiep. Volgens Scrutons argumentatie zou het probleem van kindermisbruik zich daar dus ook moeten voordoen. Maar hij geeft natuurlijk liever de moderne fratsen de volle laag. Het zij hem vergeven. Zijn prachtige, uitgebalanceerde stijl redt hem, wat mij betreft. En wordt een boek vol afbouw niet dikwijls schoner opgeleverd, dan een opstel vol bouwstenen voor een betere wereld? Voor ‘gewetenloze’ boekenlezers vallen er bij voldoende passages, bij wijze van instemming, dikke rode uitroeptekens te plaatsen.

Het nut van pessimisme
Roger Scruton
Vertaling door: Jabik Veenbaas
en de gevaren van valse hoop
Verschenen bij: Nieuw Amsterdam
ISBN: 9789046807897
240 pagina's
Prijs: € 19,95

Meer van Albert Hogeweij:

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant

14 januari 2011

Lessen in lezen

Over 'Hoe lees ik' van Roger Scruton
14 januari 2011

Recensie door: Rein Swart

Over 'Recensie: Zwartwaterkoorts ' van Roger Scruton