6 januari 2011

Het monotheïstisch dilemma – P.B. Cliteur

Het monotheïstisch dilemma

Recensie door Machiel Jansen

Het vervelende aan veel discussies is dat de deelnemers zich nog al eens moeten verdedigen tegen zaken die ze helemaal niet beweerd hebben. Jezelf verdedigen tegen iets wat je niet gezegd of in elk geval niet bedoeld hebt, is veel lastiger dan op basis van argumenten discussiëren. Vaak moet er eerst gebakkeleid worden over wat iedereen nou precies bedoelt voordat de inhoudelijke discussie kan beginnen. Wie niet verkeerd begrepen wil worden, kan proberen om bij het uitleggen van het eigen standpunt ook meteen uit te leggen wat men niet bedoelt. Maar hoe genuanceerder het debat hoe moeilijker het is om verkeerde interpretaties op die manier af te vangen. Hoe meer nuances, hoe groter de kans niet begrepen te worden.

Paul Cliteur probeert in zijn nieuwe boek Het monotheïstisch dilemma herhaaldelijk duidelijk te maken wat hij niet bedoelt. In het Engels verscheen onlangs van Cliteur ook The Secular Outlook en beide boeken hebben inmiddels aanleiding gegeven tot een polemiek in de Volkskrant. Meindert Fennema beroept zich op Cliteur in een stuk van 26 december 2010, getiteld Monotheïstische religies bedreigen de rechtsstaat. Nu beweert Cliteur in Het monotheïtsich dilemma helemaal niet dat monotheïstische religies de rechtsstaat bedreigen. Hij is veel genuanceerder. Onvolledig samengevat komt Cliteurs stelling er op neer dat de theologie van monotheïstische godsdiensten (Islam, Jodendom. Christendom) aanleiding kan geven tot spanningen met de beginselen van de rechtsstaat. Maar een dergelijke zin vormt natuurlijk een minder aantrekkelijke kop voor een krantenartikel.

Op Fennema’s stuk werd in de Volkskrant twee dagen later gereageerd door Frans Hoppenbrouwers. De titel van zijn stuk is ‘Niet iedere gelovige is een extremist’. Cliteur beweert helemaal niet dat iedere gelovige een extremist is, en ik meen dat ook Fennema dat niet doet. Cliteur geeft in zijn boek zelfs herhaaldelijk aan dat hij dat niet bedoelt. Wat Cliteur wel beweert is dat de monotheïstische godsdiensten aanknopingspunten bieden tot interpretaties die kunnen leiden tot onverdraagzaamheid en terrorisme. De nuance hier ligt in de woorden ‘aanknopingspunten’ en ‘kunnen leiden tot’. In zijn boek bespreekt Cliteur uitvoerig hoe hij tot deze stelling komt.

Hoppenbrouwer karakteriseert in zijn Volkskrantstuk de benadering van Cliteur als volgt:
‘Fennema- en trouwens ook Cliteur – gaat als volgt te werk: eerst wordt religie in een democratie bedreigend ideaaltype gegoten en daarna, om dit ideaaltype kloppend te maken, worden gelovigen die zich wel met democratie identificeren of niet gewelddadig zijn uit het theoretische model weggeschreven. Een democratisch gezinde gelovige of religieuze extremist, het zijn kleine, niet-relevante verschillen.’

Feitelijk is dat een onjuiste constatering. Wie Het monotheïstisch dilemma leest, moet toegeven dat dit niet de manier is waarop Cliteur te werk gaat. De democratische, vredelievende, tolerante gelovige krijgt bij Cliteur alle ruimte. Hij richt zijn pijlen op de theologie van monotheïsme, niet zozeer op de gelovigen. De theologie beweert dat er één god is en dat gelovigen zich te houden hebben aan goddelijke geopenbaarde wetten. De spanning tussen monotheïsme en een rechtsstaat bestaat er, volgens Cliteur, uit dat van een gelovige verwacht wordt dat hij goddelijke gerechtigheid verkiest boven door mensen vastgestelde wetten en regels.
Cliteur beseft heel goed dat er veel verschillende interpretaties mogelijk zijn van religieuze teksten en dat niet elke gelovige een extremist is. Wat hij wel benadrukt is dat de religieuze motivering waar religieuze terroristen zich op beroepen een aanknopingspunt heeft in hun religie. Hij verzet zich tegen de opvatting dat religieus terrorisme niets met religie te maken zou hebben, of dat religieuze extremisten zich baseren op warrige of domweg foute interpretaties van religieuze bronnen. Nee, kennis van het monotheïsme leidt tot een beter begrip van wat religieuze terroristen drijft, aldus Cliteur.

Het is geen makkelijk betoog dat ons wordt voorgehouden in Het monotheïstisch dilemma. Gelukkig is Cliteurs schrijfstijl helder en zeer goed leesbaar. Alle begrippen die hij gebruikt worden goed en duidelijk uitgelegd en Cliteur is niet te beroerd om de belangrijkste gedachten later nog eens samen te vatten of nogmaals uit te leggen.

Cliteur begint Het monotheïstisch dilemma met het bespreken van religieus terrorisme. Hij doet dat aan de hand van drie voorbeelden, voor elke van de drie grote monotheïstische godsdiensten één: de islamitische Abdulmutallab die in 2009 een vliegtuig probeerde op te blazen, de joodse Amir die de Israelische premier Rabin in 1995 vermoordde en de christelijke Roeder die in 2009 een abortusarts ombracht. Cliteur definieert, na het beschrijven van deze voorbeelden, religieus terrorisme en benoemt een aantal eigenschappen in het profiel van de religieuze terrorist. Deze zet persoonlijke morele opvattingen aan de kant voor principes van een hogere, religieuze orde. Verder is de religieuze terrorist tegen het modernisme in de samenleving en bereid een martelaar te worden voor zijn ideaal. Ten slotte, hij is een duaal burger, waarmee Cliteur bedoelt dat de terrorist zowel onderdeel is van een nationale staat maar ook gehoorzaam moet zijn aan geestelijke, door de religie geopenbaarde wetten. Deze eigenschappen spelen een grote rol in Cliteurs betoog. Hij wil laten zien dat deze eigenschappen terug te vinden zijn in de kern van monotheïstische godsdiensten.

De kern van zijn betoog ligt in de bespreking van een aantal verhalen uit het Oude Testament. Met name het vrij onbekende verhaal van Pinechas illustreert een aantal van de argumenten die Cliteur bespreekt. Het verhaal uit Numeri vertelt hoe het volk van Israel ‘ontucht en afgoderij’ pleegt in Sittim, waar het onder leiding van Mozes na de uittocht in Eqypte is aangekomen. ‘Het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten,’ en Mozes krijgt het goddelijk bevel de mannen die zich daar schuldig aan maken te doden. Pinechas heeft geen verdere aanmoediging nodig en doodt op eigen initiatief met zijn speer een man en een vrouw. Om deze daad wordt hij door God geprezen.

Zoals gezegd, Cliteur beaamt dat dergelijke verhalen verschillend worden geïnterpreteerd en dat veel gelovigen ze in elk geval niet letterlijk nemen. Hij betoogt dat religieuzen die zich wel beroepen op dergelijke verhalen dat niet ten onrechte doen. Er staat immers wat er staat.
Het is af en toe koorddansen wat Cliteur doet. De relatie die hij legt tussen terrorisme en monotheïsme is geen dwingende. Cliteur beweert niet dat alle terroristen monotheïsten zijn en ook niet dat alle monotheïsten terroristen zijn. Monotheïsme biedt aanknopingspunten voor een religieus terrorist, beweert Cliteur. Maar wat is nu precies de aard van de relatie tussen de twee? Is monotheïsme een noodzakelijke voorwaarde voor religieus terrorisme? Ik geloof niet dat Cliteur dat wil beweren, al kan ik me niet herinneren het tegendeel gelezen te hebben.

Om te kunnen begrijpen wat iemand tot religieus terrorist maakt spelen ook niet religieuze factoren een rol. Bovendien zijn er ook terroristen die niet religieus gemotiveerd zijn. Het is niet dat Cliteur niet religieus terrorisme minder erg zou vinden maar zijn betoog richt zich bewust op het monotheïstische aspect zonder aan eventuele andere factoren iets te willen afdoen. Het duurde bij mij even voordat ik dat echt begreep. Cliteur heeft zich bewust beperkt tot het religieuze, monotheïstische aspect, waarvan hij vindt dat het onderbelicht is. Maar die beperking maakt zijn betoog moeilijker te doorgronden. Het bovengenoemde citaat van Frans Hoppenbrouwer is tekenend voor de misverstanden die kunnen optreden. Wie niet goed leest kan denken dat Cliteur religie te beperkt weergeeft.

Naar mijn idee had Cliteur in de eerste hoofdstukken zijn aandacht beter kunnen richten op religieuze onverdraagzaamheid, in plaats van religieus terrorisme. Terrorisme zou je dan kunnen opvatten als een radicale, gewelddadige vorm van onverdraagzaamheid, gericht tegen een samenleving. De relatie tussen monotheïsme en religieuze onverdraagzaamheid weet Cliteur goed te beargumenteren en het is jammer dat hij zijn boek er niet mee begint. Het betoog zou in dat geval makkelijker te volgen zijn geweest, en minder aanleiding geven tot misverstanden. Terrorisme had hij vervolgens kunnen behandelen als een extreme vorm van onverdraagzaamheid. Nu verloopt Cliteurs betoog precies in omgekeerde volgorde.

Vanaf hoofdstuk 5, zo rond de helft van het boek, houdt Cliteur zich pas bezig met onverdraagzaamheid in monotheïsme. In dat hoofdstuk maakt hij onderscheid tussen cultureel en theologisch monotheïsme. Een theologisch monotheïst is iedereen die in één god gelooft. Culturele monotheïsten zijn zij die geloven dat monotheïstische godsdiensten waardevol zijn voor de samenleving. Om het kort te zeggen: wie gelooft dat geloven goed is, is een cultureel monotheïst. Een voorbeeld van cultureel monotheïsme komt ook in de Volkskrant polemiek voor. Het stuk Religie moet ons fundament zijn is er een goed voorbeeld van.
Het is een aardig onderscheid en het biedt Cliteur de kans om de vraag te stellen of monotheïsme de samenleving nu iets goeds te bieden heeft of niet. Het antwoord is negatief. Het monotheïstisch geloof is geen fundament voor onze huidige samenleving. Het verdeelt de samenleving tegenwoordig meer dan dat het een bindend element vormt. Cliteurs sympathie ligt eerder bij cultureel polytheïsme. Polytheïstische godsdiensten, denk bijvoorbeeld aan de oude Grieken en Romeinen, hebben een samenleving meer te bieden. Omdat zij meer dan één god erkenden zijn deze godsdiensten toleranter tegenover andere religies. Er is immers niet één god die alle macht opeist, zo is de redenering. De filosoof David Hume wordt genoemd als mogelijke kandidaat voor de titel van groot voorvechter van deze beweging. Dit betoog vormt naar mijn idee het aardigste deel van het boek. Het is filosofisch van opzet, minder politiek gekleurd, origineel en fraai uitgelegd.

In de voorafgaande hoofdstukken bepreekt Cliteur religieus terrorisme en gaat hij uitgebreid in op de Deense en Zweedse cartooncrisis. Deze hoofdstukken zijn minder verrassend en bovendien laat Cliteur zijn verontwaardiging nog wel eens de vrije loop. Hij heeft een uitgesproken hekel aan politieke correctheid en hekelt diegenen die gesuggereerd hebben dat de cartoonisten provocateurs zijn, of op één of andere manier de ellende over zichzelf hebben afgeroepen. Hij gaat hier tamelijk ver in: ‘… hoewel de tegenstanders van het experiment [het publiceren van de cartoons ? MJ] in de veronderstelling zijn dat zij de belangen behartigen van kwetsbare religieuze en etnische minderheden, zijn zij de facto de belangenbehartigers geworden van terroristen.’
Even daarvoor heeft hij zijn ergernis uitgesproken over de vermeende politieke correctheid van westerse intellectuelen die zich bezig houden met religieus terrorisme. Hij merkt op dat ‘verkeerde diagnoses’ van westerse intellectuelen wind in de zeilen blaast van het religieus terrorisme. Dat is nogal een beschuldiging. Opvallend is ook dat het juist de ‘verkeerde’ diagnoses zijn die in het voordeel werken van terroristen. Zou het ook kunnen dat een juiste diagnose terroristen in de kaart speelt?
Je zou uit een dergelijke opmerking af kunnen leiden dat, met het oog op de nationale veiligheid, men niet alles zo maar mag beweren. Je kunt dan iemand de mond snoeren door te zeggen: als je dat beweert help je de terroristen. Dat zou een vorm van politieke correctheid zijn en daar heeft Cliteur nu juist grote bezwaren tegen.

Cliteur is een man van de rede. Zijn betoog is rationeel opgebouwd en daardoor vallen ongenuanceerde speldeprikjes extra goed op. Hij maakt de opmerking dat terrorisme ook echt resultaten oplevert en noemt de terugtrekking van Spaanse troepen uit Irak als voorbeeld. Bin Laden roemde de actie van de piepjonge Spaanse regering die kort na de aanslagen in Madrid in 2004 gekozen was. Om nu de relatie tussen de aanslagen en Bin Ladens woorden samen te vatten met de woorden terrorisme werkt, is wel erg kort door de bocht. Het zou betekenen dat de Spaanse regering na de aanslagen moreel verplicht zou zijn om in Irak te blijven. Zo’n standpunt doet sterk denken aan de uitspraak van Bush ‘Je bent voor of anders tegen ons’, wat overigens een variatie is op Mattheus 12:30. Het is een uitspraak die aan alle nuance een einde maakt.

Ook opmerkelijk vond ik dat Cliteur de PVV noemt als voorbeeld van een partij die het vrije woord verdedigt. Dat is op zijn minst onvolledig als je bedenkt dat het de PVV is die heeft gepleit voor een verbod op de Koran en de vrijheid van religie niet van toepassing acht op de islam.
De verontwaardiging die Cliteur ervaart bij de politieke correctheid van journalisten en politici verstoren de rationele opbouw van het betoog. Medestanders zullen weliswaar tevreden knikken en tegenstanders zullen wel geërgerd hun hoofd schudden, maar de serieuze lezer houdt zich liever aan het credo dat ook Cliteur ons als ideaal voorhoudt: het gaat er niet om dat zaken wenselijk zijn of niet , het gaat erom of ze waar zijn of niet.

Het monotheïstisch dilemma is echter in hoofdzaak een goed leesbaar, rationeel betoog. Wie zich wil mengen in een polemiek, zoals die momenteel plaats vindt in de Volkskrant, doet er goed aan het boek te lezen. Er mee oneens zijn kan dan altijd nog.

Het monotheïstisch dilemma
P.B. Cliteur
of de theologie van het terrorisme
Verschenen bij: Singel Uitgeverijen
ISBN: 9789029573542
410 pagina's
Prijs: € 21,95

Meer van Machiel Jansen:

26 februari 2014

Zoutloze wansmaak

Over 'En dan komen de foto's' van A.H.J. Dautzenberg
29 januari 2014

Parallellen met een hoofdpersoon 

Over 'Te veel geluk' van Alice Munro

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman