Hans van Pinxteren – Vogels, vlinders en andere vliegers

Verglijden van de tijd

Recensie door Albert Hogeweij

Of de meeste boekenliefhebbers na lezing van de bloemlezing Vogels, vlinders & andere vliegers nu eens niet de naam Hans van Pinxteren in de eerste plaats zullen associëren met zijn gerenommeerde vertalingen van o.a. Flaubert, Rimbaud en Montaigne, blijft natuurlijk de vraag, maar dat deze vertaler ondertussen ook nog een serieus te nemen poëtisch oeuvre op zijn naam heeft staan mag met deze publicatie een feit heten.

Opus 10

Ofschoon voor deze bloemlezing gekozen is uit de negen bundels die Van Pinxteren vanaf 1979 deed verschijnen, aangevuld met een handjevol verse oogst – en het oudere werk waar nodig bijgeschaafd – is de bundel zodanig gecomponeerd dat de dichter hem zelf als zijn ‘opus tien’ beschouwt.

De essentie van Hans van Pinxterens poëzie zetelt vooral in de beroemde openingsregels van Air van Jan Luyken die dan ook zeer terecht als motto aan deze bloemlezing is meegegeven: ‘Droom is ’t leven, anders niet, / t Glijdt voorby gelijk een vliet, / Die langs steyle boorden schiet.’ Alsof het licht door het prisma van dit motto de gedichten in deze bundel beschijnt. Zelden een bundel gelezen waarin zoveel water stroomde, waarin zoveel licht zich uitspant dan wel zich verdiept in water, waarin zo vaak weggedroomd werd bij het spiegelende watervlak. Waarin zoveel uitzicht met inzicht samenviel. De bundel mag dan Vogels, vlinders & andere vliegers heten maar een titel als ‘wateren, spiegelingen en andere dromen’ was even ladingdekkend geweest.

Alles is schijn

Ergens vraagt de dichter zich af of hij de tijd neemt, of neemt de tijd de dichter? De lezer kan maar beter wel de tijd nemen om deze gedichten langzaam tot zich te nemen. Alleen dan proeft hij de verfijning, de suggestieve kracht waarin een spiegeling in het water ook een ’verdieping in de lucht’ wil zijn en de woorden van de dichter een verdichting van de schijn. Schijn bedriegt, maar de dichter maalt er niet minder om en triomfeert in het besef dat alles schijn is en niets zich eraan onttrekt.

Niet wonderlijk dus dat Van Pinxteren in een van zijn gedichten Alberto Caeiro opvoert, een van heteroniemen van Pessoa en wel degene voor wie de dingen geen andere betekenis hebben dan dat ze bestaan. Al beseft de dichter Van Pinxteren temeer dat hij als kind bestaan heeft, daar in dat landschap, met dat licht. En veel van zijn gedichten gaan over die momenten dat het inzicht van het schon dagewesen daagt. Het bewegen van de takken wordt algauw een wenken naar een verloren droom. Gelatenheid heerst alom. Zelfs de dood wordt niet als beangstigend gezien. De dichter laat hem in zijn verbeelding zijn ‘vreedzaamst gelaat’ opzetten zodat hij niet langer een dissonant is: ‘zo buitengewoon vredig en onthecht dat even / dit leven iets luchtigs krijgt en speels / zo speels haast als een fractie van wolkend licht // in een fuga van Bach’. Weemoedig, dan toch eerder gerieflijk dan schrijnend.

Dromerig

Op een aantal anekdotische gedichten na, kenmerkt het leeuwendeel van deze poëzie zich door haar dromerige setting met een weemoedig, berustende toon. Niet bepaald een afwisselend palet, wat getemd ook. Mede daarom is het geen  bundel die je in een ruk uitleest. Hier en daar doemt een wat ouderwets aandoende zin op als: ‘Weegt aan het venster de nacht al op je schouders’.
Het vocabulaire huist nog in de vertrouwde wereld van vroeger. Alle schijn en het ontbreken van eindpunten ten spijt, wordt de verstaanbaarheid in deze poëzie weinig in de weg gelegd. Integendeel, niet zelden doen de gedichten bij aanvang uit de doeken hoe de vork in de steel zit en vervolgt het gedicht de weg van het uitgelegde beeld. Zo geeft het gedicht Het silhouet reeds in de eerste regel de sleutel: ‘Inbraak in mijn slaap, een paar / huizen verderop schreeuwen twee stemmen / lang tegen elkaar.’ Met deze uitleg is het raadsel al uit z’n droom geholpen. Soms wordt net iets te nadrukkelijk naar een beeld toegeschreven, zodat de verbeelding niet meer weet te verrassen:

Vloeibare taal

‘kijk ik later nog naar buiten / wordt het uitzicht inzicht / valt de vlieger in de ruit / samen met de bodemloze nacht’. Wat dat betreft zijn de meeste van deze gedichten een variatie op hetzelfde thema. De taal in deze poëzie is verfijnd en dient voornamelijk ter beschrijving van gevoelens en gewaarwordingen en is niet van zins zelf een schijnbeweging uit te voeren. Hier en daar had iets meer afgrond in de taal ten koste van de afgeronde beelden mogen komen.

In de beste gedichten volgt Van Pinxterens schijnbaar onaangedaan, als op Oosterse wijze, het proces van de zich eeuwig transformerende schijn zoals in

Korte metamorfose

De tak van de acacia
spiegelt zich
in de ruit aan de overkant

de tak van de acacia
reikt wiegend in de wind
naar de beker op de tafel

wordt een gezicht, het
silhouet van iemand die
zijn mond zet aan de beker

die daarvan drinkt
en weer afstand neemt
van de beker

voor het raam wiegt
een tak in de wind

Alles wordt vloeibaar zodat de tijd oogt als een stilstaande klok. Een mooie bloemlezing waarin goed verbeelde gewaarwordingen in verstaanbare versregels zijn gegoten. Deze gedichten zullen je niet van de sokken blazen, maar je wel doen stilstaan bij het langzaam verglijden van de droom die men leven noemt.

 

Omslag Vogels, vlinders en andere vliegers - Hans van Pinxteren
Vogels, vlinders en andere vliegers
Hans van Pinxteren
Verschenen bij: Van Oorschot (2017)
ISBN: 9789028280229
126 pagina's
Prijs: € 24,99

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

21 januari 2019

Flöthmann vertelt het verhaal zonder woorden

Over 'Stille nacht' van Frank Flöthmann
18 januari 2019

Een man zonder missie

Over 'Steyler' van Huub Beurskens
17 januari 2019

Ondergronds in Turkije

Over 'Istanbul, Istanbul' van Burhan Sönmez
16 januari 2019

Eenzaamheid in de liefde en verlangen naar een ander leven

Over 'Blauwe hemel' van Kreek Daey Ouwens
15 januari 2019

Een zwarte brief in een blanke envelop

Over 'Het levensverhaal van Frederick Douglass' van Frederick Douglass

Verwant