Hans Faverey, Bezorgd door Marita Mathijsen – Gedichten 1962-1990

Nagelaten gedichten uit de jaren zestig en zeventig

Recensie door Albert Hogeweij

‘Zonder mijzelf heb ik geen toekomst’ schreef de dichter Hans Faverey. Maar met deze uitspraak deed hij zijn gedichten, en daarmee indirect zichzelf, enigszins te kort. Want van enig Nachleben kan men intussen wel spreken, nu de vierde druk van zijn ‘verzamelde gedichten’ zojuist van de pers is gerold. Wat de toekomst betreft kan de dichter, die 20 jaar geleden stierf, voorlopig weer even vooruit. Maar met deze vierde editie is iets bijzonders aan de hand, hetgeen ze bij De Bezige Bij bijzonder genoeg vonden om er middels een buikbandje gewag van te maken: in deze editie staan niet alleen de Verzamelde Gedichten zoals we die uit de eerdere edities kennen, maar zijn er ook 193 ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ uit Faverey’s nalatenschap in opgenomen.

De hierboven geciteerde regel is afkomstig uit zo’n nagelaten gedicht. Nu behoeft de toevoeging ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ de nuancering dat een klein deel van deze gedichten reeds was opgenomen in de door de weduwe van Faverey in 2000 samengestelde bundel Springvossen. Maar soit. Het blijft een bijzondere uitgave waar veel poëzieliefhebbers naar hebben uitgekeken. Niet dat deze uitgekeken raakten op de acht reguliere bundels die Hans Faverey (1933 ? 1990) bij leven publiceerde, maar de reeds eerder gedane onthulling dat er nog zoveel typoscripten, manuscripten zouden liggen, maakte begerig naar meer.

Marita Mathijsen, die in 1993 ook tekende voor de totstandkoming van de Verzamelde Gedichten van Faverey, lost met deze speciale vierde druk, haar zeventien jaar geleden gedane belofte om ook het nagelaten werk uit te geven, met glans in. Vol overgave dook ze in de papieren. En wat bleek? Faverey liep in zijn aanvangsfase ook vele blauwtjes op met zijn inzendingen van gedichten naar literaire tijdschriften. Zelfs een complete bundel werd door uitgeverij Querido in 1964 afgewezen. Achteraf lach je erom. De betrokken redacteuren worden er liever niet meer aan herinnerd. De drieëndertig gedichten uit die afgewezen bundel komen nu volledig binnen bereik van de lezer (de helft ervan had overigens al een plaats gekregen in ander regulier uitgegeven werk). Mathijsen beperkte zich tot de voltooide, ongepubliceerde gedichten. Waarbij zij aantekent, dat voor de editietechniek het onderscheid tussen ‘voltooid’ en ‘publicabel’ niet telt. Versies die naderhand door de dichter ten dele verbruikt zijn voor een naderhand gepubliceerd gedicht vielen af. Uiteindelijk blijken 193 nagelaten gedichten aan haar criteria te voldoen. Ze sluit intussen niet uit dat een andere editeur tot een andere selectie was gekomen.

In deze vierde druk volgt het nagelaten werk op het gepubliceerde werk, en wordt het, voor zover te achterhalen, in chronologische volgorde gepresenteerd. En passant zinspeelt Mathijsen zelf op de zinvolheid van een editie die ook kladversies en varianten zou bevatten.

Door de chronologische presentatie van dit nagelaten werk (en de bijgeleverde lijst van dateringen) laat dit werk zich mooi vergelijken (‘spiegelen’ noemt Mathijsen het zelf) met het gepubliceerde oeuvre. De meeste opgenomen nagelaten gedichten dateren uit de 60’er en 70’er jaren. In de jaren tachtig was Faverey wellicht zo volleerd dat hij minder tussenstappen nodig had tot het volmaakte gedicht.
Wie verbaast het dat in dit ‘spiegeloeuvre’ dezelfde tendens te bespeuren valt als in het ‘echte’ werk: gaandeweg raken de gedichten meer gestoffeerd, worden ze minder kaal, minder basic. De gedichten zijn voltooid genoeg om de sporen van zijn techniek na te laten: de witregels, als bakens voor het ritme, ontbreken dan ook niet. Het poëtisch bindmiddel van de herhaling van woorden, van delen van een zin, evenmin. We treffen hier woorden aan die het opnemen tegen hun betekenis, tegen de onmogelijkheid het mogelijke tot stand te brengen. Taal die aan het begrip voorbij scheert tot waar schoonheid soeverein is.

Faverey’s woorden zijn stuk voor stuk begrijpelijk (en waar hij een nieuw woord verzint als ‘springvossen’ levert dat geen probleem), ook de syntaxis wordt geen geweld aangedaan en het leestempo wordt door de witregels tot een serene rust gemaand. Het is apollinische poëzie in pure evenwicht met zichzelf. Schoonspringen meer dan zwemmen. Spel meer dan sport. De zin is het speelveld van Faverey en hij kan in die zin opeens gaan versnellen, zoals een voetballer met de bal aan de voet opeens versnelt en een of twee tegenstanders het nakijken geeft. Door de buitenspelval van de mimesis te ontlopen, komt hij, daarvan gezuiverd, in het strafschopgebied van de schoonheid terecht, om daar zichzelf eerst als een stervende zwaan te omspelen, alvorens toe te slaan.

Maar waar de perfect gepleegde misdaad verschoond blijft van sporen, stuit je in de nagelaten gedichten hier en daar op een enkele onvolkomenheid, die eigenlijk alleen opvallen omdat ze niet ten volle delen in de glans van de omringende woorden, waardoor de zin waarvan ze deel uitmaken, net niet dat uitgebalanceerde krijgt die de ‘echte’ gedichten kenmerkt. Alsof de concrete aanleiding nog niet afdoende was weggezuiverd. Als voorbeeldje de tweede strofe van een nagelaten gedicht: ‘Ach, dat de dood zich / maar eeuwig fixeerde / in zijn ijzeren spiegel.’

De Favereylezer zal instemmend knikken bij woorden als ‘dood’, ‘eeuwig’, ’spiegel’ en‘fixeerde’ (indachtig zijn ‘credo’: ‘De roekeloze, de meedogenloze schoonheid te fixeren.’), maar het woord ‘ijzeren’ (in combinatie met spiegel) voelt zich niet zo thuis in het Faverey-idioom; Daar komt het woord ‘ijzigst’ meer voor. Of ‘suizende oxyden’, dat omwille van zijn schoonheid haast geen begrip van node heeft. Maar het lezen van een gedicht dat het nèt niet helemaal heeft, is allerminst schadelijk voor de reputatie van deze dichter. Eerder verschaft het de poëzie van Faverey een handvat, een vingerwijzing. Het geeft aan dat de poëzie die door een god geschreven leek, in een mensenschrift zijn oorsprong vond. Men lijkt het raadsel van de ongenaakbaarheid van de geheimzinnige schoonheid in zijn gepubliceerde werk zo een klein beetje op het spoor te komen. En natuurlijk zijn er met deze publicatie pareltjes boven water gekomen. Wat te denken van:

‘Spijkerwit:
een nagelschim.

Zijdevast:
een maanpluim.

Tot in de grond
vervlinderd,
tot in de hemel
verpulverd:

een meidoorn,
een stokroos.’

Dit zou vóór 1970 al geschreven zijn. Tot slot wil ik een van de mooiste gedichten van Faverey citeren, eentje van een verontrustende schoonheid. Uit de bundel Tegen het vergeten:

‘De weg die het volbrengt
zijn weg te zijn, die zich voortzet
en zich tot een hinderlaag wordt,

en die telkens, op het heetst
van de middag, versmachtend,

het haast opgeeft, de berm opzoekt,
naar zijn revolver tast: terwijl

intussen de enige weg die hem
overblijft, al maar voortgaat
op de weg die hij inslaat
en inslaat, de ijzigste
leegte ontregelt.’

Faverey wilde gedichten schrijven die eeuwen meegingen. Nu, twintig, dertig jaar later, kunnen we constateren dat hij keurig op schema ligt.

 

Omslag Gedichten 1962-1990 - Hans Faverey, Bezorgd door Marita Mathijsen
Gedichten 1962-1990
Hans Faverey, Bezorgd door Marita Mathijsen
Verschenen bij: De Bezige Bij
ISBN: 9789023458197
1003 pagina's
Prijs: € 49,90

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

20 maart 2019

Van monoloog naar dialoog

Over 'Lief slecht ding' van Frank Keizer
19 maart 2019

Onvermijdelijke consequenties van een multiculturele samenleving

Over 'Salomons oordeel' van Robert Vuijsje
18 maart 2019

Op zoek naar geluk voor de mensheid

Over 'Icarië' van Uwe Timm
13 maart 2019

Reizen zit haar in het bloed

Over 'Zeeuws geluk' van Carolijn Visser
12 maart 2019

Met zwier verteld verhaal rondom twee moorden en een moestuin

Over 'Moord op de moestuin' van Nicolien Mizee

Verwant

Recensie door: Rein Swart

Over 'Recensie: Nemen wij dan samen afscheid van de liefde ' van Paul Baeten Gronda