Guzel Jachina – Wolgakinderen

Sprookjesachtig verhaal over Wolgaduitsers

Recensie door Marjet Maks

‘De Wolga deelde de wereld in tweeën.’ Dit is de openingszin van Wolgakinderen, de opvolger van Guzel Jachina’s debuut Zulajka opent haar ogen. Een korte en krachtige zin, die de stemming van het boek haast bloot geeft. In de zin erna worden het vlakke, open steppenlandschap aan de linkeroever van de Wolga beschreven en de hoge bergen met steile, ruige kliffen en bossen van de rechteroever. Een landschap vol contrasten, zoals de mens is, zoals de wereld is.

Wolgakinderen speelt zich af tussen 1916 en 1938 tegen de achtergrond van de Russische revolutie, Stalins Sovjet-Unie en de opkomst van Hitler. De geschiedenis treedt nergens op de voorgrond, maar is voelbaar aanwezig in de mensen die steeds grauwer worden ‘als muizen en vissen’. We volgen het leven in Gnadenthal, een Duitse kolonie bewoond door de zogenaamde Wolgaduitsers. Deze trokken ten tijde van Catharina de Grote naar Rusland en settelden zich in kolonies langs de Wolga waar ze hun gründliche Duitse leven voortzetten, zonder een woord Russisch te spreken. Door de Sovjetrepubliek werden ze “gebruikt” om Duitsland de positieve kant van het communisme te laten zien. 

Sprookje

Hoofdpersonage Jacob Bach is een zonderlinge, zwijgzame man van een jaar of dertig, geboren en getogen in Gnadenthal. Hij is schoolmeester, vooral geïnteresseerd in Duitse poëzie, heeft weinig met kinderen en voert zijn dagelijkse taken rigide uit. Totdat hij wordt ontboden bij Udo Grimm, een rijke boer die met zijn dochter en Kirgizische bedienden aan de overkant van de Wolga woont, achter de steile, onherbergzame klif. Hij geeft Bach de opdracht om zijn tienerdochter Klara te onderwijzen. Zij zit achter een kamerscherm want hij mag haar niet zien om niet verleid te worden. Klara spreekt een brabbelig dialect. Als haar stem zich steeds meer ontwikkelt en Bach haar opdraagt om hem voor te lezen, kan hij daar geen genoeg van krijgen. Ze leest zelfverzonnen sprookjes voor en ondertussen groeit er een gemeenschappelijke liefde voor de gedichten van Goethe.

Als Udo Grimm met zijn hele hebben en houwen de boerderij verlaat om in Duitsland een man voor Klara te zoeken, ontvlucht ze haar vader en staat op een nacht op de stoep van Bach. Hij wil haar beschermen en met haar trouwen, maar dat is niet mogelijk in Gnadenthal. De bekrompen en (bij)gelovige dorpsgenoten denken dat ze een heks of zijn dochter is. Bach en Klara vluchten samen, terug naar de boerderij van Grimm waar hun sprookje kan beginnen, ware het niet dat de verschrikkingen in de buitenwereld hen alle geluk zullen ontnemen. 

Kolchoz

Dagelijks staat Bach op de klif en kijkt het dal in waar hij de revolutie van 1917 en de burgeroorlog voorbij ziet komen zonder precies te begrijpen wat er gaande is. Hij wijdt zijn leven aan Klara en is gelukkig. Maar Klara wordt niet zwanger en steeds ongelukkiger. Tot ze zwanger raakt na een verkrachting door langstrekkende rovers, waarna Bach zijn spraakvermogen verliest. Klara sterft negen maanden later in het kraambed. Bach zit wekenlang naast haar lichaam in de ijskelder, het kind vergetend. Tot hij beseft dat het moet eten. Hij gaat naar Gnadenthal om een geit te melken en wordt gesnapt. 

Gnadenthal is een kolchoz geworden onder leiding van partijactivist Hoffmann. Hij predikt het communisme en de brave Gnadenthalers volgen vooralsnog zijn wil en wet. Hoffmann ontdekt dat Bach niet praat maar wel schrijft en ziet daarin ongekende mogelijkheden ten faveure van zichzelf. In ruil voor melk laat hij Bach schrijven over de Gnadenthalers en hun gewoonten, zodat hij dit volkje beter leert begrijpen. Hij bewerkt deze verhalen en stuurt ze naar de lokale krant. Als blijkt dat er voorspellende elementen in Bachs verhalen zitten die steeds vaker uitkomen, stopt Bach met schrijven. Hij wil niets met het communisme te maken hebben en trekt zich terug op de boerderij met Klara’s kind dat hij Antje heeft genoemd. 

Stalin

Het verhaal wordt grimmiger en breder getrokken als Stalin een bezoek aan Gnadenthal brengt. De man wordt aangeduid met Hij en later met De Leider. Hij ergert zich aan de propere Duitsers en ziet alles en iedereen om zich heen als nietig en onbetekenend. Zelfs de eerste tractor die in deze streek werd gebouwd, de trots van de kolchoz, vindt hij niks. Het bezoek van Stalin kan gezien worden als een grote metafoor voor het Sovjetregime.

De verschrikkingen die het Rode Leger achterliet uiten zich vooral in de verandering van de mensen, die Bach vanaf zijn klif ziet of als hij Gnadenthal bezoekt. ‘Wat een oudemensengezichten waren het die Bach vanuit de vensterholen aanstaarden – waren dat de mensen die hij kende, of waren het hun vaders of grootvaders? Hij had voortdurend het gevoel dat die zeven jaar de mensen in de kolonie vele malen ouder waren geworden dan hijzelf; […] Wie keek daar naar hem uit het raam: de kunstschilder Anton Fromm, wiens gerimpelde gezicht met bolle lippen en naar voren stekende gebit definitief veranderd was in het smoeltje van een grondeekhoorn, […] en wie keek daar uit een derde raam? Emmy Meloen die al haar lichaamsvet was kwijtgeraakt en zo vermagerd was dat er alleen wat slappe blauwe kringen onder haar ogen waren overgebleven, […]’

De Wolga

Jachina heeft een rijke, beeldende stijl met veel metaforen waardoor je vaak het gevoel hebt een bont en kleurrijk sprookje te lezen. Ze put zich uit in natuurbeschrijvingen. ‘Hij kende de weg. De kardinaalsmutsen hadden als egels hun stekels opgezet. Gedrongen eiken omhelsden zichzelf, hadden hun takken om hun eigen stam geslagen. Hier en daar zaten er in de stammen zwarte gaten die gaapten als opengesperde monden, waaruit af en toe watervlugge schaduwen schoten: eekhoorns of marters of nog iets anders…’ En natuurlijk speelt de levensader van het boek, de Wolga, een grote rol. 

Bach is aanvankelijk een bange en zwakke man, met weinig enerverende gedachten. Maar zijn liefde voor Klara neemt zulke vormen aan dat hij tot leven komt en een enorme intensiteit en kracht ontplooit. Waar Jachina haar personages rijk en breedsprakig beschrijft, krijgt Klara nauwelijks een gezicht. Jachina laat Bach haar ‘prachtig’ vinden, alsof hij geen andere woorden voor zijn diepe gevoelens voor haar kent. Later gaat zijn liefde op Antje over, het kind dat hij tracht te beschermen tegen het kwaad. Voor Antje heeft hij juist wel veel rijke beschrijvingen, wat iets zegt over de ontwikkeling van Bachs gevoelsleven. 

Uiteindelijk raakt Bach bevrijd van zijn angsten; de angst Antje niet te kunnen beschermen, angst voor het communisme, angst dat alles voor niets was. ‘Waar waren ze bang voor? Wat voor onrust veranderde de mensen in vissen en muizen? Bach deed geen moeite om het antwoord te vinden, het enige wat hij wist was dat hij zelf niet was besmet door deze epidemie: Hij liep rustig door andermans angsten heen, alsof hij door ondiep water waadde zonder zelf nat te worden.’

In deze prettig lezende vertaling van Arthur Langeveld toont de schrijfster van Tataarse origine met dit epische, sprookjesachtige, zeer gelaagde verhaal aan de hand van historische feiten, de tragiek van de Wolgaduitsers. 

 

 

Omslag Wolgakinderen - Guzel Jachina
Wolgakinderen
Guzel Jachina
Vertaling door: Arthur Langeveld
Verschenen bij: Querido
ISBN: 9789021416120
536 pagina's
Prijs: € 24,99

Meer van Marjet Maks:

Recent

30 november 2020

Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in een prachtige bundel

Over 'Vissenschild' van Liesbeth Lagemaat
26 november 2020

Met woorden alles mogelijk maken

Over 'Honderd hoge dagen' van Tomas Lieske
25 november 2020

De wereld op zijn kop

Over 'Piranesi' van Susanna Clarke
24 november 2020

Ambitieuze roman tegen de achtergrond van de nieuwe staat Zambia

Over 'De rook die dondert' van Namwali Serpell
23 november 2020

De binnenstaander

Over 'Vluchthaven' van Anne van den Dool

Verwant