Gerda Blees – Dwaallichten

Soepele gedichten met goed gevonden zinswendingen

Recensie door Hettie Marzak

Dwaallichten zijn in het volksgeloof lichtjes die boven moerassen of kerkhoven zweven – wetenschappelijk verklaard als het ontvlammen van moerasgas – die reizigers afleiden van het rechte pad en hen in het verderf storten. Zielen van gestorvenen zijn het, ongedoopte kinderen, van zondaars of van hen die nog een belofte te vervullen hebben.
Maar anders dan de titel doet vermoeden, zijn de dwaallichten in deze mooie gedichtenbundel er niet op uit om argeloze reizigers het moeras in te lokken. Er is juist sprake van het tegenovergestelde: de mensen die dwaallichten worden genoemd, zijn zélf verdwaald en verlangen naar iemand die hen de weg naar huis toont.

In het eerste gedicht is er nog niets dat daarop wijst: met getallen, percentages en statistieken wordt geprobeerd de wereld te definiëren en vast te leggen. Maar in de daaropvolgende gedichten begint de afbrokkeling van de controle over de werkelijkheid al zichtbaar te worden: geleidelijk aan wint de onmacht om de wereld te begrijpen, om te culmineren in ‘Laatste bericht ‘, waarin de dwaallichten de overhand gekregen hebben en zich rechtstreeks tot de lezer richten: ‘Wie wij zijn weet niemand, ook wij niet. […] Maar één ding is zeker / wij bestaan, en dit is het bewijs.’

Verlies van de werkelijkheid
De bundel bestaat uit vijf afdelingen die in stijgende lijn laten zien hoe gevoel en verstand strijden om de greep op de werkelijkheid te behouden en waarbij het gevoel vaak overheerst: van ‘degene die haar fantasie niet in bedwang had’ naar: ‘zij is uit de grot geweest en alleen / haar buitenkant is thuisgekomen’ wordt de afstand tot de realiteit groter.
In de tweede afdeling vertelt de ik-figuur hoe het verbreken van een relatie heeft geleid tot nog verwardere gevoelens van afwijzing en tekortkoming. Hij/zij richt zich daarbij direct in een aantal prozagedichten in voorzichtige understatements tot de verdwenen geliefde B.: ‘Ik wil niet dwingend overkomen B / maar een beetje wederkerigheid was leuk geweest.’ Het laatste gedicht uit deze reeks doet het vermoeden rijzen dat de hoofdpersoon de geliefde B aan een ontijdig einde heeft geholpen.
Ook in de daaropvolgende afdeling Volwassen vormen wordt het onvermogen tot aanpassing onderstreept:

‘Je moet je zwakheid tonen
en tegelijkertijd mooi
en zongebruind zijn’

Verschillende personen worden voorgesteld en in hun levensgeschiedenis wordt voorzichtig aangeduid wat mogelijk geleid heeft tot hun vervreemding. Het laatste gedicht over een verkrachting is het duidelijkst daarin.
In de vierde afdeling De lichtdrager zijn de gedichten dwars op de bladzijden geplaatst: de werkelijkheid is gekanteld en de hoofdpersoon is een dwarsligger geworden in die zin, dat haar gedrag haaks staat op dat van anderen. Alle gedichten hebben een titel die met licht te maken heeft: inval, snijpunt, verstrooiing. Maar niet alleen het licht: ook tijd en ruimte spelen een belangrijke rol. De ik die aan het woord is, vertelt hoe hij/zij in slaap lijkt te zijn gevallen op een strand en als uit een droom wakker werd bij wat een psychiatrische inrichting lijkt te zijn: de ik-verteller wordt opgenomen.

Alleen met humor
Toch is er absoluut geen sprake van kommer en kwel: het is alsof de dichter zelf met verwondering de gebeurtenissen observeert en een verklaring probeert te zoeken voor de beweegredenen. De taal van de gedichten is licht en soepel, met goed gevonden zinswendingen (‘het overgeven stond me nader dan het lachen’) en met een humor die niet geforceerd is: als de ik-figuur op het strand een gitaar vindt en daar op begint te spelen, verschijnt er een gezagsdrager:

‘toen hoorde ik een stem
wat zijn wij aan het doen?
Ik zei wij niets ik ben alleen

en heeft ik ook een naam en een vergunning straatmuziek?
Zo niet verzoeken wij u vriendelijk hier weg te gaan
ik zei dit is een strand en u bent evengoed alleen

geen bijdehante grappen nu, we zijn al heel coulant
voor iemand zonder geldige ID, als u meteen vertrekt
zal ik voor deze keer noteren dat dit nooit gebeurd is.’

Twijfel over de werkelijkheid
In de inrichting leren we een aantal mensen kennen: het meisje met anorexia, Marie-Thérèse met de laserogen, Wim die zich verdronken heeft. Maar nergens wordt Blees expliciet of zwaar in de gedichten: er is ruimte voor twijfel aan zowel de eigen werkelijkheid als aan die van de bewoners van de inrichting. Het gedicht Aan de andere kant over een man die van het dak afstapt, laat in de laatste regel ‘De ruimte waar je was is hier gebleven’ een echo na van Matsiers gedicht Hoe een kat te gaan missen: ‘Het is op al zijn plekken dat hij weg is.’

Aan alle regels is te merken hoe strak en virtuoos Blees het ritme weet te hanteren. De gedichten laten zich vooral hardop lezen alsof het klassieke verzen zijn, melodieus en gaaf in het metrum, hoewel er nergens sprake is van eindrijm. Dat wordt opgevangen door andere kenmerken zoals de veel voorkomende assonantie en binnenrijm. Met deze debuutbundel laat Gerda Blees zien dat ze naast schrijver van korte verhalen – eerder verscheen Aan doodgaan dachten we niet – ook als dichter bestaansrecht heeft.

 

 

Omslag Dwaallichten - Gerda Blees
Dwaallichten
Gerda Blees
Verschenen bij: Podium
ISBN: 9789057598883
58 pagina's
Prijs: € 17,50

Meer van Hettie Marzak:

Recent

17 december 2018

Wellust van woorden

Over 'Heel de tijd' van Leo Pleysier
12 december 2018

Poëzie met verhalend karakter

Over 'Abri' van Liesbeth Lagemaat
11 december 2018

‘Doorkijkblouse’ te alledaags voor een literaire schepping

Over 'Schipbreuk' van Marco Kamphuis
10 december 2018

René Appel stelt de lezer niet teleur

Over 'Dansen in het donker' van René Appel
9 december 2018

Mussen met longen als vliespinda’s

Over 'Wat huid is' van Peter du Gardijn