26 januari 2011

Fantastisch – Maria Barnas

Magische paarden zonder oogkleppen

Recensie door: Sheila van Rheenen

 

Bij zijn vertaling van Pedro Calderóns Het leven is droom (1636), schrijft Eric Coenen in een toelichting uitgebreid over de betekenis van het woord hippogrief.
Calderón gebruikt dit woord volgens Coenen in een culturele context die vier eeuwen later volledig aan ons voorbij gaat. In onze tijd is de hippogrief een fantastisch wezen met een zwak voor Harry Potter, maar een eeuw na de verschijning van Calderons meesterwerk is het volgens een gezaghebbend Spaans woordenboek slechts een snel paard. De betekenis was dus door het succes van Calderón als toneelschrijver, maar waarschijnlijk zijns ondanks, volledig genormaliseerd.

In Fantastisch, het eerste stukje in de gelijknamige bundeling columns die zij wekelijks schreef voor NRC Handelsblad, betreurt Maria Barnas de normaliserende neigingen van het brein. In haar ooghoek beweegt een stokbrood. Het blijkt haar kat te zijn.
‘Het valt me tegen van mijn fantasie dat ik nooit iets in mijn ooghoek zie bewegen dat ik niet al ken. Juist op het moment dat mijn gedachten voor alle mogelijkheden openstaan zou je toch mogen verwachten dat ze met iets verrassenders op de proppen komen dan met een brood.’
De paradox die Coenen beschrijft is omgekeerd van toepassing op de wereld van Barnas zoals zij die vorm geeft in haar stukken. Hier wordt niets genormaliseerd, integendeel, in haar werk is het alledaagse vaak een droomwerkelijkheid:
‘Ik zag ernaar uit dat iemand anders het voortouw in mijn gedachten zou nemen. Opgejaagd als door een zweep zouden mijn gedachten als trage manegepaarden gedwongen worden naar buiten te gaan, nieuwe sprongen te maken, nieuwe hindernissen te nemen. Ik zag ze in de verte al galloperen.

Maria Barnas is beeldend kunstenaar, dichter en schrijfster. Veel van haar columns gaan over beeldende kunst en zijn geschreven met het oog van een beeldend kunstenaar.
Dat levert vaak prachtige stukken op met de kwaliteiten van interessante installatiekunst. Het zijn eerder ruimtes die uitnodigen tot eindeloos dralen dan teksten die je met de laatste zin tevens naar het eind van de ervaring brengen.

In sommige gevallen is de poëtische inleiding tot Barnas’ observaties interessanter dan datgene wat haar tot die zijsprong bracht.
‘Er lag een jonge dode zwaan in de gracht. Zijn romp stak net iets boven het slijkbruine water uit en zijn lange koploze nek slingerde er als een onzorgvuldige herinnering achteraan’, schrijft ze ter inleiding van een stuk over het werk van Marijn van Kreij. Waarna een uitgebreide beschrijving en duiding volgt van het werk van de kunstenaar. Veel van de stukken beginnen op deze wijze, de schrijfster bevindt zich in een situatie, doet een observatie, waarna zij van de ene associatie ? vaak het werk van een kunstenaar, soms een dichtregel of een straatbeeld- naar de andere meandert.
Die samenhang tussen fijne observaties en haar zorgvuldig genoteerde begrip van een kunstwerk biedt altijd een boeiend inzicht in haar originele zienswijze en in sommige gevallen meer dan dat.

In Geluk, één van de mooiste stukken uit de bundel, beschrijft ze hoe ze door Antwerpen loopt en hoe alles, huizen, straten, honden, aan haar voorbij gaat.
‘Ik was van tijdelijke aard.’, schrijft ze. Even later ziet zij in een krant een serie foto’s van een aardbeving. In een letterlijke oogwenk ontvouwt zich daar beeldsgewijs het begin en het einde van een jong Chinees bruidspaar.
‘De bruid heeft dezelfde kleur als het grauwe puin dat als een berg achter haar verrijst. Ze kijkt om zich heen, alsof ze een gezichtsuitdrukking zoekt die zou passen bij de ramp die zich voor haar ogen voltrekt.’

Leeft zij nog? Is zij dood? Barnas antwoordt met een citaat uit Showen en trippen, een gedicht van Anne Vegter:

‘Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.’

Het is een goed voorbeeld van de rijkdom aan materiaal die Barnas tot haar beschikking heeft om een sfeer te maken die zowel pijnlijk als onweerstaanbaar is.
Door haar ogen is de wereld altijd verrassend, prikkelend, en soms te veel:
‘Ik geloof dat mijn levensgeluk in grote mate afhankelijk is van het vermogen om delen van mijn omgeving te negeren. Ik geloof ook dat mijn leven verrijkt wordt door het feit dat mijn omgeving altijd een manier verzint om als fel zonlicht door mijn oogkleppen te breken.’
schrijft ze ter inleiding van kleine en grote drama’s die zich rond haar afspelen en die zich aan haar opdringen als zij ergens in een haven rustig een kop thee probeert te drinken.
Dat negeren van delen van haar omgeving, is blijkbaar iets wat Barnas’ niet komt aanwaaien.

De overvloed aan observaties en associaties in haar stukken is ook voor de lezer af en toe overweldigend. Het is jammer dat er voor haar wekelijkse columns geen plek meer was in het NRC Handelsblad. (Zij zal af en toe nog wel langere stukken schrijven voor het Cultureel Supplement.) Ter gelegenheid van haar afscheid en de verschijning van Fantastisch stond er een kort interview met haar in die krant. Op de vraag wat zij nu gaat doen, antwoordde Maria Barnas dat zij een nieuwe taal gaat leren en een roman gaat schrijven. Die nieuwe taal spreekt zij al wat mij betreft. Ik zie uit naar haar roman.

 

Fantastisch
Maria Barnas
Observaties over kunst en werkelijkheid
Verschenen bij: Singel Uitgeverijen
ISBN: 9789029573511
288 pagina's
Prijs: € 22,95

Meer van :

22 augustus 2017

Variabele verhalen in prettige stijl geschreven

Over 'Astronaut' van Pieter Kranenborg
17 augustus 2017

Vergeefse strijd heeft een mooie bundel opgeleverd

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan

Recent

16 augustus 2017

Ideale bestaansvorm

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden

Verwant