Esther Kinsky – Kreupelhout

Een spoor trekkend door de geheimtaal van kreupelhout

Recensie door Albert Hogeweij

In Kreupelhout van de Duitse schrijver, dichter en vertaler Esther Kinsky (1956), reist een naamloze vrouw twee maanden na het overlijden van haar partner M, door Noord-Italië. Het is winter en guur, geen klimaat om toeristen te verwelkomen. De mensen zijn evenmin uitnodigend, want nog maar koud in Italië aangekomen, worden uit haar auto twee koffers gestolen. In een koffer zaten kledingstukken die M. tot kort voor zijn dood gedragen had. Ze waren niet enkel als aandenken meegenomen, maar ook om zelf te dragen. M. ontvalt haar hierdoor voor een tweede maal. De vrouw maakt wandelingen vanuit Olevano Romano, uitstapjes naar plaatsjes in de buurt. Ze neemt het landschap in zich op, verkent de omgeving en de bedrijvigheid van de mensen en doet daarvan in de eerste persoon verslag. Er worden kerkhoven bezocht, waar ze de namen op de graven leest. Ze voelt een speciale verbondenheid met een vrouw die kort voor haar vader werd geboren en in 1979 in een koude winter in Londen stierf; een periode dat ook zijzelf in Londen verbleef.

Terreinroman in drie delen

Kreupelhout is een door de auteur zelf benoemde ‘terreinroman’, waarin het terrein niet alleen plaats van handeling is, maar ook als handelingsbekwaam opereert. De naamloze vrouw verkent het terrein en tracht zich er persoonlijk toe te verhouden om langzaam de controle over zichzelf te heroveren. Af en toe wordt een klein succesje geboekt: ‘Olevano gooide naar alle kanten lijnen van verbondenheid uit.’ Zeker als de lente doorbreekt: ‘Het landschap veranderde van blauw in groen. Langs de kant van de weg verschenen bloemen, zachtpaarse lipbloemigen en stervormige witte bloemen die ik niet kende.’ 

Het boek bestaat uit drie delen, die elk weer uit korte hoofdstukken bestaan. Het middenstuk is gewijd  aan haar overleden vader en schetst een serie jeugdherinneringen aan vakanties naar Italië, waarheen de vader het gezin mee op sleeptouw nam. De toon hierin is mild. Alle drie delen kenmerken zich door gedetailleerde en aandachtige beschrijvingen zonder dat het boek een overvolle indruk maakt. Een compliment voor een boek waarin de hoofdrol voor een toch wel onbeduidende omgeving is weggelegd. Kinsky’s schrijfstijl is gedreven door dichterlijke observaties die ruimte biedt aan minder voor de hand liggende details als: ‘Ik werd duizelig van het kijken naar dat uitgebreide gebied, dat zich bloot gaf en tegelijk zo onbegrijpelijk voor me bleef. Een hobbelig terrein dat een ongedurige indruk maakte, doordat het er van elke kant weer anders uitzag.’ Een aangename stijl die elementair blijft. Al wordt van de lezer wel een zekere concentratie gevraagd.

Geheimtaal van de bomen

Het verhaal begint met een beschrijving van een kaarsen ritueel in de Roemeense kerk: links branden de kaarsen voor de levenden, de vií, rechts voor de doden, de mortí. In een film zag ze ooit hoe iemand een kaars voor de levende van links, naar de kaarsen voor de doden, rechts verplaatste. Het ritueel ontroerde haar vanwege de ‘eenvoud’. Toen was haar partner nog niet overleden. Nu weet ze : ‘Afwezigheid is ondenkbaar zolang er nog aanwezigheid is.’ De betekenis van het ritueel en daarmee de onwrikbare overzichtelijkheid, contrasteert met de  wereld van alledag. Het motto van Wittgenstein dat Kinsky aan deze terreinroman meegaf, wringt zich hier tussen: ‘Heeft het zin om naar een groepje bomen te wijzen en te vragen: “Begrijp jij wat er met dat groepje wordt bedoeld?” Over het algemeen niet; maar zou je met de manier waarop bomen gegroepeerd zijn geen betekenis kunnen uitdrukken, zou het geen geheimtaal kunnen zijn?’

De feitelijke wereld lijkt op het eerste gezicht niet aan intrinsieke betekenis te doen. Aan nabestaanden presenteert de wereld zich anders dan aan mensen die geen dierbare verloren hebben. De verteller zoekt haar heil niet in de schijnwereld van het ritueel, maar verkent haar eigen spoor. In het aardse. Alledaagse geluiden, gewone gebeurtenissen die zelden of nooit te boek worden gesteld, maken hier hun opwachting. Geknetter van bromfietsen, houtzagerslawaai, schoten van jagers en andere idylle verstorende geluiden weerklinken in dit proza. 

Band met overledenen

In het tweede deel, dat de overleden vader portretteert, wordt duidelijk dat haar toewijding aan kerkhoven en graven, aan sporen en restanten niet van een vreemde komt. Haar eigenzinnige en zwijgzame vader was altijd op zoek naar  sporen van de Etrusken. ‘Boeken over Etruskische vindplaatsen stapelden zich op zijn bureau op en het woord ‘necropoli’ maakte tijdens de vakanties in Italië deel uit van het dagelijks vocabulaire.’ De verteller leert al jong op kerkhoven tussen graven van vreemden te staan en dat je er zelfs een band mee kunt opbouwen. Opmerkelijk is dat de overleden vader  meer aandacht krijgt dan de overleden partner. Die duikt af en toe op in een droom, maar komt er verder bekaaid van af. Haar vader liet zich in zijn nadagen als Italiëgids inhuren. Hij bezat ‘deskundigheid op het gebied van de kleur blauw en zijn daarmee samenhangende liefde voor de schilderingen van Fra Angelico’. De verteller had het voornemen haar vader daar bij gelegenheid  naar te vragen, maar het is er niet meer van gekomen, hij overlijdt. Aan het einde van het boek heeft de verteller een gelegenheid gevonden dit verzuim alsnog te compenseren.

Vitale gelatenheid

Op de laatste dag van haar verblijf in Italië maakt ze bij wijze van ‘plichtsbetrachting’ een uitstapje naar Ravenna vanwege een schilderij van Fra Angelico van een rouwtafereel. Ze staat oog in oog  met het interessegebied van haar vader: het blauw van Fra Angelico. Een schamel driehoekje lucht aan de bovenkant, bijna als toegift door de kunstenaar aangebracht. ‘De hulpeloosheid van de nabestaanden tegenover het dode lichaam komt op dit schilderij tot uitdrukking. (…) Het is een beeld van rouw, waarop de blauwe driehoek boven de torens en muren van de kloosterhof niemand op het schilderij opvalt en voor niemand iets betekent, hij hangt als een kleine plichtsbetrachting boven aan de rand, de kostbare lapis lazuliis voor niets met veel moeite gewonnen en fijngestampt, hij strekt de nabestaanden op geen enkele wijze tot troost.’ 

Daarmee eindigt dit eigenzinnige boek. Gelijk het bewerkelijke blauw van Fra Angelico is ook dit boek van Esther Kinsky, waarin een inferieure streek van Italië met zoveel aanstekelijke aandacht is belicht. Er zit wellicht geen diepere betekenis achter, maar wie er voor openstaat, zal wel degelijk enige betekenis hieruit halen. Mag Kreupelhout dan niet direct tot troost strekken, het maakt allerminst een troosteloze of klagende indruk. Veeleer spreidt het een vitaal soort gelatenheid tentoon. Trek je eigen spoor door de geheimtaal van het kreupelhout en merk dat het ontcijferend werkt en dat zo’n spoor uit zichzelf betekenis krijgt. Het lezen van Kreupelhout zal zeker een spoor bij alle lezers achterlaten.

 

Omslag Kreupelhout - Esther Kinsky
Kreupelhout
Esther Kinsky
Vertaling door: Josephine Rijnaarts
Verschenen bij: Uitgeverij Pluim
ISBN: 9789492928627
287 pagina's
Prijs: € 22,99

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

26 oktober 2020

Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

Over 'De naam van de wereld' van Denis Johnson
21 oktober 2020

Een aardig plot in een wat opsommerige stijl

Over 'Een vrouw van de wereld' van Thomas van Aalten
20 oktober 2020

Reconstructie van ingrijpende gebeurtenissen

Over 'In sluitertijd' van Adriënne Schouw
19 oktober 2020

Een dunne lijn tussen feit en fictie

Over 'Eenzaam, de dapperen' van Olga Majeau
16 oktober 2020

Een lied van hoger honing

Over 'Winterbijen' van Norbert Scheuer

Verwant