Esther Jansma – Rennen naar het einde van honger

Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

Recensie door Hettie Marzak

Met haar nieuwste bundel Rennen naar het einde van honger, lijkt Esther Jansma ervoor gekozen te hebben om zowel daders als slachtoffers van groot en klein leed te portretteren. Ze richt zich daarbij niet alleen op mensen, maar ook op dieren en bomen. Ze doet dit zonder een oordeel te vellen, ze constateert en beschrijft slechts. Maar juist doordat ze heel inzichtelijk weet te maken waar het wezenlijk om gaat, zijn haar gedichten scherp als een foto. Bovendien schuwt ze het maatschappelijk engagement niet door actuele gebeurtenissen weer te geven. Zo dicht ze bijvoorbeeld over mensen die vluchten vanwege een natuurramp die hun huis dreigt te doen instorten, maar ook over vluchtelingen die door oorlog uit hun land verdreven werden. Ze geeft een stem aan degenen die het overkomen is, maar ook aan de toeschouwers die langs de zijlijn staan en toekijken. Het zouden politieke gedichten zijn geworden als Jansma stelling had genomen, maar deze bundel is geen pamflet, maar een impressie. Jansma kiest haar beeldspraak zorgvuldig en ook de constructie van haar gedichten is heel doordacht.

Bewaren van het verleden

Jansma gaat in de eerste afdeling Waar het begint uit van het opgeven van de oude vertrouwde positie die mensen hebben ingenomen en die haaks staat op de noodzaak van bewegen en veranderen. Ze doet dit aan de hand van een gedicht over een boom, die al eeuwen begraven ligt onder het zand. ‘[…] ze is niets en doet niets / dan steeds verder en zachter / wegraken uit haar bestaan.’ Pas als de boom wordt uitgegraven, verandert ze ‘en zij stopt met iets zijn wat  vergaat’. Opvallend is dat Jansma de boom als vrouwelijk wezen beschrijft. Ze is dan ook de enige dichter in Nederland die dendrochronoloog is: een archeoloog die zich bezighoudt met de datering van bodemvondsten aan de hand van groeiringen. Het kan geen toeval zijn dat veel van haar gedichten te maken hebben met het benoemen van herinneringen en het bewaren van het verleden.

In de afdeling De verandering staan sterke gedichten die beschrijven hoe mensen van huis en haard verdreven worden. Jansma kiest haar woorden zo zorgvuldig dat ze een willekeurige periode uit het verleden verbinden met het heden. Zo laat ze zien dat er in de lange geschiedenis van de mensheid nog steeds niets veranderd is. Oorlog, vernietiging en stromen vluchtelingen zijn universeel en van alle tijden, net als onbegrip en vreemdelingenhaat. Ze heeft daarvoor geen grote woorden nodig:

‘Beleid van wormen en aarde

 Ze leggen hun jas naast de weg en gaan liggen.
 Ze vertellen hun lichaam dat dit een hier is.
 Ze wuiven elkaar de troost dat dit mag toe.

 Ze mompelen over mensen en plaatsen die niemand meer kent –
 de namen ontsnappen uit hun monden als damp
 die nergens kan neerslaan, geen enkele dorst lest –
 en ze gaan slapen. En morgen weer en daarna weer.

 Niet ongerust zijn, zegt iemand bij een radiator,
 na een tijdje vermageren ze, binnenkort zijn ze papier,
 wat foto’s in een oude krant die door de wind
 omhoog gegooid smeekbeden ritselend verdwijnt.’

Bijzonder emotioneel

Van het gedicht ‘Hier en daar’ is de inhoud niet meer anoniem, maar verwijst naar bestaande maatschappelijke groeperingen, al noemt Jansma geen namen: een groep terroristen verkracht na het gebed een tiener, ‘- de boog / kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’, terwijl in het witte huis de bewoner zich druk maakt over het feit dat de kristallen kroonluchter te klein is. ‘Wegwerpkindertjes’ is een afdeling met gedichten over mishandeling, misbruik, onthechting. Hoewel Jansma met ingehouden versregels niet nadrukkelijk het leed oproept, zijn deze gedichten bijzonder emotioneel. Ze laten een diepe indruk na. In het gedicht ‘Je kunt aan van alles denken’ verbindt de dichter via de titel in de eerste strofe het heden van een mishandeld kind met de slachtoffers van concentratiekampen uit het verleden: ‘Op een stoel gesmeten, je haren geroofd. / Jouw hoofd, jouw straf. Had je maar / niet moeten bestaan.’

Ook in de afdeling Dit is niet een giraffe gaat het over mensen die nergens bij horen, buitengesloten zijn, geen vaste grond onder de voeten hebben. In het vierluik ‘Al die herinneringen’ probeert een lyrisch ik het verleden achter zich te laten en opnieuw te beginnen, maar moet daarvoor veel van zichzelf opofferen. Identiteit en imago lijken elkaars tegenpool te zijn.
Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken. ‘Ze mocht het weer slaan van zichzelf. / Ze denkt dat het een hersenschudding heeft.’ Of neem het gedicht ‘De wind steekt op’, dat net als het bekende gedicht van Remco Campert, ‘Iemand stelt de vraag’,  steeds met ‘iemand’ begint. De eerste regel luidt, ‘Iemand zegt: dat een olifant zoals jij uit míj kon komen.’ Maar waar bij Campert het stellen van vragen tot verzet leidt, is daar bij Jansma geen sprake van. 

Eén gedicht onttrekt zich aan het algemene thema en is zacht en teder, in ‘Kattebel’ is sprake van geluksgevoelens. Ook het eindgedicht spreekt van hoop, ‘wij hebben in alle variaties al samen bestaan, ooit / zijn we er weer, zitten we hier aan precies deze tafel / te lachen, want het heelal is een lichaam dat ademt.’ Een nieuwe kans lijkt, ondanks alle ellende,  hiermee te worden aangeduid voor een niet klein te krijgen mensheid.

Stem van schuldeloze slachtoffers

Esther Jansma heeft in deze bundel gedichten samengebracht die op een onnadrukkelijke manier aangrijpend zijn. Ze roept situaties op waarbij geen uitleg nodig is. Ze registreert niet alleen, ze geeft schuldeloze slachtoffers een stem die net zo luid klinkt als die van de schrijnende berichten in de media. Als symbool van alle onderdrukking, marteling en moord, kiest ze niet voor een lam, wat voor de hand zou liggen, maar voor een kalf, wiens huid tot perkament gemaakt is.

‘Gebedenboek

 Ik werd van mijn karkas gestroopt, te weken gelegd
 in een snelstromende beek, met ijzer geschraapt,
 op een rek gespannen, met puimsteen en kalk gepolijst,
 op maat gesneden, in elkaar genaaid en vol bezweringen
 gezet tegen ontelbare ondenkbaar ellendige eindes.

 Ik werd voor mijn moordenaars een plattegrond,
 een partituur van hoe men om genade hoort te smeken.
 Zo dwing ik ontzag af voor mijn godsvruchtige slachters.
 Maar ooit was het anders, drukte ik me eenvoudig
 tegen de eeuwige warmte van mijn moeder en sliep.’

Rennen naar het einde van honger is een tragische titel, want wie zegt dat het einde daarvan bestaat? En of de mensen die deze gedichten bevolken, die eindstreep halen? Jansma geeft ze wat hoop, maar niet veel.

 

 

Omslag Rennen naar het einde van honger - Esther Jansma
Rennen naar het einde van honger
Esther Jansma
Verschenen bij: Prometheus (2020)
ISBN: 9789044646146
64 pagina's
Prijs: € 24,99

Meer van Hettie Marzak:

Recent

2 december 2021

Een ontmoeting met grote gevolgen

Over 'De wereld van Italo Svevo' van Rob Luckerhof
1 december 2021

Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

Over 'Wat boven kwam' van Louis Lehman
29 november 2021

Doodsverlangen in een dorp

Over 'Stenen eten' van Koen Caris
26 november 2021

We zijn allemaal vluchtelingen

Over 'Vlieg weg, vlieg weg' van Paulus Hochgatterer
25 november 2021

Hij was geen prater, hij was een preker

Over 'Kom verder!' van Freek de Jonge

Verwant