Erik jan Harmens – De man die blauw werd

M’n hoofd wil een geheel maar alles is in stukken

Recensie door Juul M. Williams

De man die blauw werd van Erik Jan Harmens wekt meteen al de interesse vanwege de titel. Grappig, speels, origineel. Tot blijkt dat het gaat om werkelijk blauw aanlopen, letterlijk stikken. Of nee, toch niet letterlijk, zo blijkt bij nadere lezing. Door de dichter wordt het echter wel zo ervaren. Zo voelt blijkbaar het leven als je behept bent met autisme. Het woord ‘lijden’ is hier niet op z’n plaats; uiteindelijk komt het alleen de persoon in kwestie zelf toe te bepalen of er sprake is van lijden, en zo ja, hoe dan. Of niet. Harmens zelf heeft het niet over lijden, al valt het leven lang niet altijd mee met een aandoening als de zijne. Maar welk leven valt eigenlijk wel mee als het er op aankomt? Elk huisje heeft zijn kruisje en clichés zijn meestal waar.

Over dit specifieke kruisje gaat het in deze bundel die is opgedeeld in drie blokken: I – ‘stik volledig vredig’, II – ‘het gaat en dóórgaat’, III – ‘wat ik niet begrijp wil ik vernietigen’. Binnen die drie delen gaat het aan een stuk door, als een ‘stream of consciousness’, zonder hoofdletters, nagenoeg zonder interpunctie. En soms zelfs zonder klinkers, als om de ademnood te suggereren die de auteur voelt en die niet anders dan rauw, en zo direct op de lezer kan worden overgebracht. Voel maar hoe ik stik, voel maar wat ik voel.

‘z vk
 krg k
 gn lcht

 kn k
 nt mr
 dmn

 k prbr
 ht’

Iedere speldenprik een mokerslag

Dat voelen is een dingetje in ‘het spectrum’ zoals dat tegenwoordig heet en waarin alle aandoeningen van klassiek autisme tot PDD-NOS zijn ondergebracht. Lange tijd is de medische wetenschap van mening geweest – en tante Jet van hierachter is dat nog – dat mensen met autisme niet voelen, niet kúnnen voelen, of in ieder geval te weinig om bij de ‘normale’ mensen te mogen horen.

Inmiddels wordt steeds meer duidelijk dat er wel degelijk gevoeld wordt, maar dat er vooral iets hapert in de verwerking van datgene wat er binnenkomt, de gevoelens die dat oproept en ook hoe daaraan vervolgens uiting wordt gegeven. Ontwapenend direct gebeurt dat, want bij mensen met ASS is het meestal alles of niets, hollen of stilstaan; niet het midden weten te houden tussen grenzeloos en begrensd, tussen naakt en kwetsbaar als een slak zonder huisje in de wereld staan en aan de andere kant een afgesloten zijn dat nooit over gaat. En bij dat alles ook niet zeker weten of je dat wel zou willen, als je wat te kiezen had. Willen meedoen, niet willen meedoen. Het afgezonderd zijn is veilig en eenzaam tegelijk. En bij elke wens die je koestert, weet je dat het er nooit van zal komen. Niet voor jou, niet in dit leven.

Die strijd, van hoe de interactie met die buitenwereld wordt ervaren in de binnenwereld, laat Harmens op een meer dan adequate wijze zien in zijn gedichten. En ook de uitputting die onvermijdelijk op de loer ligt, van iets te willen – en willen kunnen – wat buiten je vermogen ligt, en er toch naar verlangen. Afgewisseld met de telkens terugkerende moedeloosheid van ‘ach, laat ook maar’.

In delen

Wanneer raakt eigenheid zo verstrikt in zichzelf dat het isolement wordt? Wat voor een monnik, een kluizenaar een keuze is, is dat niet voor iemand met autisme. Daarom wordt er zo veel gewild, gewenst. Verlangen is immers zo vaak omgekeerd evenredig aan wat mogelijk is. Hoe meer iets niet kan, hoe meer we het willen. ‘raak // me niet aan // of wel // maar zachtjes // of hard // maar niet ineens // stap // voor stap // als in delen // bovenkomende mensen // op een roltrap’

Wij zijn zelden zo heel, zo eenduidig samenhangend als we zouden willen zijn. Voor iemand met een filterprobleem is het nog tig keer moeilijker het zelf als enigermate coherent te ervaren; ofwel voelt het als een monolithisch blok waar niets in of uit kan, ofwel is er geen grens, geen muur, en voelt men de eigen delen rondzwalken als klodders vla die een ruimtevaarder in de gewichtloosheid van zijn ruimtecapsule naar binnen probeert te lepelen. En in beide gevallen is het gevoel van ‘zo ben ik, dit ben ik; hier heb ik het maar mee te doen’ onontkoombaar. Al levert het prachtige zinnen op. Dat dan weer wel.

‘beschoten met lood en kruit // kogel op kogel die op m’n huid af fluit // steeds weer meer geperforeerd // tot je me als pulled
pork met een vork uit elkaar kunt harken’

Kloenk – boing – opdofferwoorden

De frustratie van niet verstaan, niet begrepen worden, kennen we allemaal. De driejarige die dreint over iets waarvoor hij het woord nog niet kent; de veertienjarige die oprecht spijt heeft, maar er in zijn puberale onhandigheid niet het juiste gezicht bij weet op te zetten en dus niet geloofd wordt; de volwassene die zich bij een instantie meldt met een probleem dat niet valt onder toets 1, toets 2, toets 3. Voor sommigen is álles complex en onduidelijk, elke dag opnieuw, zelfs iets simpels als het kopen van een pak melk; laat staan als het taalveld van echt belangrijke zaken wordt betreden, eenzaamheid, angst, verlies, dood, en uiteraard de liefde.

Dan wordt taal opgeëist om vanuit de binnenwereld toch maar zoveel mogelijk te kunnen uitdrukken naar de buitenwereld. Daarom – en niet omwille van haar poëtische schoonheid – wordt taal gekaapt, om haar te laten zwoegen en doen waarvoor ze in beginsel is bedoeld: communiceren. Zangerig zijn de gedichten van Harmens dan ook allerminst, muziekaal daarentegen wel degelijk; ritmisch, met een dwingend staccato. Indien nodig worden woorden tien keer herhaald: fak fak fak fak fak. Indien nodig worden nieuwe woorden gemaakt, om te zeggen wat gezegd moet worden en waar tot dan toe niemand een woord voor heeft bedacht. Heeft werkelijk niemand die noodzaak gevoeld? Lees dan! Dan snap je het misschien.

‘als ik met m’n koptelefoon op // door de supermarkt loop // denk dan niet // dat ik me voor je wil afsluiten // niet voor jou // alleen voor de geluiden // de altijd op de voorgrond achtergrondmuziek // het prijszeikconsumentengemiep // het helse
handscangebliep // en al het overige brandende // waarvoor ze m’n hoofd niet meer kunnen behandelen // zoals het terugzetten:
kloenk // van het ene kutkarretje in het andere’

Streel het steen

Zo blijft de dichter duwen, boksen, vloeken, schoppen, drammen tegen een muur waarvan hij weet dat die niet weggaat. Hij heeft die immers zelf gemetseld. Omdat zijn ziel die muur in dit leven nodig heeft. Niettemin wil hij – met muur en al, wie is hij anders? – worden liefgehad, en is ook daarin ontwapenend rechtstreeks.
Allengs daalt echter wel het besef dat deze hermetische geslotenheid meer is dan een literaire vorm, maar een gegevenheid die duurt van wieg tot graf. De muur is echt. En het is maar de vraag of de lezer wel zo kan liefhebben, wel die stenen borst wil strelen.

‘florence is beroemd om z’n fresco’s
 en ik vanwege m’n muur

 die ik om me heen metselde
 (bij oplevering: tromgeroffel)
 met een trapeziumvormige troffel

 de muur praat nooit terug
 dat wordt pas een probleem
 als je iets tegen ‘m zegt

 als je in plaats daarvan
 zwijgend je hebben en houwen
 tegen ‘m aan legt

 is hij vol liefde
 en die liefde is echt

 al is de muur een metafoor
 je komt er niet door

 maar met wie samenvalt met wat om mij heen
 word ik één

 heb me lief
 heb m’n borst lief
 streel het steen’

 

 

Omslag De man die blauw werd - Erik jan Harmens
De man die blauw werd
Erik jan Harmens
Verschenen bij: Thomas Rap (2023)
ISBN: 9789400408906
96 pagina's
Prijs: € 22,99

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Juul M. Williams:

Recent

Kleinkunst, maar dan groots
4 januari 2024

Kleinkunst, maar dan groots

Over 'Ruitjesblues' van Jan Beuving
Den Ouden lees je kwispelstaartend
27 december 2023

Den Ouden lees je kwispelstaartend

Over 'Visioenen' van Martijn den Ouden
Beste boeken van 2023
26 december 2023

Beste boeken van 2023