Erik Bindervoet – Over het werkelijkheidsgehalte van de werkelijkheid

 Over werkelijkheid en identiteit

Recensie door Johan Reijmerink

Schrijfster Nina Weijers, tevens schrijfdocente, constateert dat het voor haar studenten moeilijk is om precies op te schrijven wat ze waarnemen. Vrij snel overkomt het hen dat de wereld van binnen zich met de wereld van buiten vermengt. De wederzijdse beïnvloeding is onontkoombaar, maar tegelijk kan het een verrijking opleveren voor het verhaal dat ze willen schrijven. Tot die binnenwereld behoort niet alleen ons bewustzijn, maar ook ons onbewuste met zijn diep verzonken herinneringen en ervaringen. Dat versterkt het beeld dat onze persoonlijke beleving van de werkelijkheid zeer gekleurd, gelaagd en meerduidig kan zijn. 

Wat deze ervaring van de studenten ons laat zien, is dat hun identiteit ‘dat wat aan zichzelf gelijk is, onafhankelijk van de omstandigheden’ gedurende de waarneming verandert. Een dialogiserende interactie van het individu met zijn omgeving, het spanningsveld tussen identificeren en verzelfstandigen, is noodzakelijk om de identiteit blijvend te ontwikkelen. Ze vindt levenslang plaats en is nooit voltooid. 

Hoe verhoud ik me tot de werkelijkheid

Bindervoet is een veelzijdig kunstenaar, meer dan een dichter alleen. Samen met Robert-Jan Henkes is hij onder meer vertaler van werk van Shakespeare, Joyce, Kraus en Tarkovski. Hun grootste bekendheid kregen ze met hun vertaling van Finnegans wake van James Joyce. Samen met de beeldhouwster Saskia Pfaeltzer schreef Bindervoet Aldus sprak Nietzsches zuster (2019) en Wittgensteins wereld (2022). Die filosofische oriëntatie blijkt ook uit zijn nieuwe bundel Over het werkelijkheidsgehalte van de werkelijkheid met deels eerder gepubliceerde gedichten en deels nieuwe teksten. Wat Bindervoet in deze bundel doet, is veelvuldig het proces van spiegelen en separeren zo bewust mogelijk te ondergaan in zijn confrontaties met zijn omgeving, en er taal aan te geven.

Hij probeert van buitenaf de werkelijkheid te onderzoeken waarvan hij onderdeel uitmaakt en waarin hij zich nadrukkelijk onderdompelt. In het gedicht ‘Bijgedachten’ gaat hij als een betrokken toeschouwer net als Martinus Nijhoff ‘naar Bommel om de brug’ te zien: ‘Ik ging naar Ouderkerk om kalfjes te tekenen.’ Allerlei bijgedachten vallen hem in. De grote vraag die hem blijvend fascineert, is hoe de Schepping nu eigenlijk tot stand is gekomen. Het duizelt hem, zeker nu hij kort tevoren nog zelf ‘vader is geworden’. Hoe zit die schepping nu precies in elkaar? Zijn meest ‘(aannemelijke en logische verklaring over de Schepper is: “Hij schept Zichzelf, dag in dag uit, elke keer opnieuw, / Net als Moeder Natuur / En Vader Tijd)”.’ In die strofen geeft hij eigenlijk al het antwoord op de vraag waarnaar hij in deze bundel op zoek is: ieder mens dient gaandeweg de schepper van zijn eigen werkelijkheid te worden. De hele bundel door blijft hij als een razende op zoek naar het gehalte, het soortelijk gewicht van zijn werkelijkheid.

Hartstochtelijk spel met taal

In het motto, voorafgaand aan de bundel, geeft hij een uitgebreid citaat van Arthur Schopenhauer uit diens hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung (1818): ‘Denn die selbe Gehirnfunktion, welche, während des Schlafes, eine vollkommen objektive, anschauliche, ja handgreifliche Welt hervorzaubert, musz eben so viel Antheil an der Darstellung der objektiven Welt des Wachens haben!’ Omgeven door een schare blauwgevleugelde engelen verschenen deze woorden aan Bindervoet van de leraar Duits O. den Besten uit het satirisch programma van Kees van Kooten & Wim de Bie die hem aanbeval: ‘Gebruikt U dat maar als motto, meneer Bindervoet!  / Dan zult U nog eens wat beleven!’ 

Met dit citaat is de droomwereld dominant de werkelijkheid van deze bundel binnengekomen. Bindervoet speelt hartstochtelijk zijn spel met de taal, soms flauw, soms spitsvondig, zoals in de opening van zijn lange gedicht ‘Met het oog op morgen’ waarin hij Woody Allen een kurkentrekker laat vasthouden ‘tegen zijn oog en zegt [dan] lachend: -Ware schoonheid zit vanbinnen. / Kijk maar. / Hij ontkurkt zijn oog – PLOP! – / en dat oog trekt de wijde wereld in.’ Een reeks van exuberante beelden volgt. 

Op een maniakale manier probeert hij de wereld naar zijn taal te zetten als een ‘manische transvormer: ‘wij bouwen zinnen / wij bouwen zinnen op / zinnen bouwen de wereld / in alles wat het geval is / wat ik ben wat wij zijn / van alles en nog wat / is het geval / trillingsvrije en trillingsarme paalsystemen / mijn zwakke schaduw de vermolmde tijd / die is als was in mijn handen’. Hier is een taalspuwer aan het woord die niet van ophouden weet, vooral om maar greep te krijgen op zijn werkelijkheid. In de verte hoor ik vanuit mijn herinnering de magische donderstem van de dichter Johnny van Doorn opklinken. 

Taalvirtuositeit en flardenbewustzijn

In zijn ‘Charmante verwikkelingen in het politieke en medische spectrum’, sprekend over identiteit, drukt Bindervoet zich beeldrijk uit: ‘Op het hoofdkussen lag een mond / en die fluisterde in mijn oor / dat ernaast lag: – Zelfs exact dezelfde zin / is niet exact hetzelfde./ Kijk maar. / Zelfs exact dezelfde zin / is niet exact hetzelfde. Er komt altijd wat voor / of na. / En als je opschiet / kun je de bus van half tien nog halen!’ Voor mij wordt duidelijk dat het Bindervoet niet lukt de werkelijkheid in de taal te vangen. De vloeiende tijd en ons beweeglijk flardenbewustzijn zijn nauwelijks tot stilstand te brengen.

Die beweeglijkheid, die onrust als het ware, maar ook de onbevangenheid van deze dichter, trilt door de hele bundel heen. Aanvankelijk wekte de hoeveelheid aan de uiteenlopende woordenvloed ergernis en verontrusting op, maar gaandeweg groeide de waardering voor de moed van Bindervoet om taal te blijven aanslepen. Niet alleen in kleine verfijnde, maar ook in omvangrijke verzen met eindeloze opsommingen. Zo probeert hij het werkelijkheidsgehalte te peilen. Daarvoor heeft hij lange cycli en korte gedichten nodig die alle door opsomming, repetitio, assonerende en allitererende woorden worden bijeengehouden, waarbinnen de (schijnbare) tegenstellingen zijn werkelijkheidsvoorstelling schragen. Hij kiest voor rake beelden en bedient zich van uiteenlopende taalregisters. Hij schuwt de straattaal niet die hij vanuit de Kadoelen, ten noorden van Amsterdam, heeft meegekregen, zo was al te lezen in zijn eerste bundel Tijdelijk zelfportret met hoofd en plaatsbepaling, oranje (1995).

Twijfel aan de taal

Hoezeer hij twijfelt aan zijn eigen voorlopige vaststellingen van het werkelijkheidsgehalte in taal blijkt uit het titelgedicht:

‘Door de vreemde olijvengeur die in de stad hing
 wist ik dat het geen droom was
 want als je droomt ruik je niet
 behalve af en toe rook, of stront.
 Er waren meer voortekenen die erop wezen
 dat de werkelijkheid werkelijk werkelijker is
 dan je soms denkt’, bijvoorbeeld
 het gefladder van de reuzenmot
 met zijn hoestbonbonrode vleugels in de badcel
 en dat Rinus en ik tegen elkaar zeiden,
 toen we hem, […]
 […], hadden bevrijd, door het raampje open te doen
 en het dier naar buiten te dirigeren
 […]
 -Wat een dierenvrienden zijn we toch!
 Toen we onze ogen weer opendeden
 gevolgd door een berustend:
 -O, het was allemaal maar een werkelijkheid!’

Deze ‘dierenvrienden’ doen op een gegeven moment de ogen weer open, ontwaken uit hun droom, nadat ze de mot z’n vrijheid hebben teruggegeven: ‘O, het was allemaal maar een werkelijkheid!’ Hoe werkelijk kan die werkelijkheid zijn!? De dynamische poëzie van Bindervoet doet de perceptie van de werkelijkheid even vertragen, doordat hij haar als vervreemdend vanuit een rijk dagdroomleven aan ons voorstelt.  In het laatste gedicht ‘De laatste droom’ is de ik zijn mobiele telefoon kwijt. Hij keert in zijn dagdroom terug naar de oude buitenwijk waar zijn ouders woonden. Het lezen van een flyer van de zangvereniging uit zijn jeugd brengt hem in een stemming van ‘onverklaarbare vreugde’. In een dergelijk irrationeel moment van identiteit schuilt de kracht van deze virtuoze taalmeester.



Omslag Over het werkelijkheidsgehalte van de werkelijkheid - Erik Bindervoet
Over het werkelijkheidsgehalte van de werkelijkheid
Erik Bindervoet
Verschenen bij: De Harmonie (2023)
ISBN: 9789463361835
92 pagina's
Prijs: € 19,90

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

1 reactie

  • Marijke Emeis schreef:

    Ga ik kopen. En ook lezen. Waarschijnlijk niet van kaft tot kaft maar willekeurig, zoals ook de waarste werkelijkheid verloopt.





 

Meer van Johan Reijmerink:

Recent

Meekijken van proloog tot bezemwagen
25 mei 2024

Meekijken van proloog tot bezemwagen

Over 'Het grote wielrenboek' van Susanne Roos
Literatuur als instrument voor zelfontdekking
22 mei 2024

Literatuur als instrument voor zelfontdekking

Over 'Hij/hem – Een ABC van regenboogboeken' van Redactie: Eric de Rooij, Coen Peppelenbos en Doeke Sijens
Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe
21 mei 2024

Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

Over 'Meisje ontmoet jongen ' van Ali Smith
Zwijgen als vorm van zelfbehoud
20 mei 2024

Zwijgen als vorm van zelfbehoud

Over 'Wat wij verzwijgen' van Aisha Dutrieux
Aangrijpend mooi zelfportret van een buitenbeentje
18 mei 2024

Aangrijpend mooi zelfportret van een buitenbeentje

Over 'Oever' van Ludwig Volbeda