7 april 2011

Recensie: Eiland berg gletsjer – Anne Vegter

Recensie door: Albert Hogeweij

‘Met deze ontroerende, soms adembenemende poëzie overtreft Anne Vegter haar eerdere werk.’ Aldus begint de flaptekst, die mij niet door de auteur zelf geschreven lijkt, gezien het gehalte aan inwisselbare adjectieven als ‘tedere’ en ‘onpeilbare’ die zich tegen niets vermoedende substantieven staan op te geilen. Skip dus de flaptekst en treed binnen in de wereld van Anne Vegter, om te zien wat zij ons voorschotelt in wat na haar lovend besproken Spamfighter (VSB-poëzieprijs nominatie 2008) haar vierde bundel is.

Meten & wegen

‘Of het tijd kost Anne Vegter te zijn.
De schotels in de lucht houden, probeer ik.

Ik doe natuurlijk maar wat.
Gisteren zei iemand het past of fluit ernaar.

Iemand zei genen van belangstelling
woekeren/denkers willen verspillen!

Het kost niet per se tijd maar het hoofd
(denken aan de liggende jaren, een tegen-

stelling noemen van verlangen) puilt uit.
Lezers zoeken iemand om in uit te rusten.’

Of lezers in deze bundel voldoende rust zullen vinden, valt te betwijfelen. De dichteres biedt haar fantasie weliswaar gestructureerder aan dan in haar voorgaande dichtwerk, maar het blijft toch eerder aanzetten tot denken dat tot rusten. Fladderden in haar vorige werk haar eigengereide, speelse taalconstructies en woordcombinaties onbekommerd naar de verste uithoeken van haar fantasie, in deze bundel is de toon verontrustender, grimmiger en vileiner. ‘mijn moeder zei dat de man die zijn vrouw verraadt een moordenaar wil baren’. Over de frivoliteit is een schaduw gevallen. Weinig gedichten uit Eiland berg gletsjer lijken niet aan een woelige onderstroom van (meest erotisch getint) verlangen ontsproten te zijn. Om contact met een ander moet worden gesmeekt: ‘Wil nu godverdomme iemand opstaan en me vasthouden.’ Maar de liefde lijkt er intussen niet vanzelfsprekender op te worden. ‘We maakten droeve vogels na, een doodsmak ontwierp je op papier / had je wat napret van je verveling.’ De eenzaamheid wordt gedeeld met een, eh…hulpstuk: ‘Ook als haar XXL-geluksmaatje boven de grond komt ‘als een dode kompel’ (eerst tel ik / mijn vrouwen, daarna mijn dagen) weet ze weer de kleine methoden van zijn handen.’

Anne Vegter streek bij voorkeur toch al tegen de vacht in, maar dit keer zie je meer dan voorheen, hoe kwetsbaar de huid onder die vacht is. De tekeningen van de hand van de auteur zelf, die hier en daar tussen de gedichten opduiken, tonen ons, in onbeholpen stijl, hulpeloze figuren en niet zelden slechts de geslachtsdelen ervan, die meer met hun lusten verlegen zitten, dan ermee gezegend lijken. Ze lijken eerder gekleid dan bezield. Maar in hun kwetsbare lijnvoering kunnen ze zich spiegelen aan de personages in de gedichten die zich vergeefs naar genegenheid toeschreeuwen. ‘Luister je eigenlijk nog.’ En hoe moeten we de doorgekraste, handgeschreven regels interpreteren, voorafgaand aan de reeks die dezelfde titel draagt als de bundel?

De bundel kent drie afdelingen. De eerste heet Tramps. De middelste Eiland berg gletsjer en de laatste Dochter van. De titelreeks onderscheidt zich niet alleen doordat iedere strofe van deze gedichten begint met ‘Ook als’. Ook is het zo dat alle acht gedichten uit deze afdeling in de lengte van de pagina zijn afgedrukt, daar de zinnen stuk voor stuk te lang waren voor de volle breedte van de bladspiegel.  De bundel dient dus een kwartslag gedraaid. De combinatie van hetzelfde begin van de tweeregelige strofen, en dezelfde langgerekte zinnen in de lengte afgedrukt, geven de door een eender ritme bijeengehouden regels een cadans die je met recht en enige hulp van de flaptekst, nu ja, ‘adembenemend en overrompelend’ zou kunnen noemen.

‘Ook als je wakker wordt boven een sterfgebied en je gespt kinderen vast als gordels: laat mij
eens door een raam kijken of het daar erg is, zie je er niets van want het is een diepteoorlog.

Ook als een doelwit vanaf de grond toch naar je zwaait en je verlangt naar bleke sterren
op zo’n voorhoofdje, taxie je over het oefenveldje van je grimassen en je speelt elk karakter.

Ook als je naakt naar de kinderen loopt en guilty zegt guilty dat woord kennen jullie toch dat je
niets gedaan hebt maar bekent en je geeft je huid, reep na reep, want het is een diepteoorlog.’

Dit gedicht mag dan misschien gespeend ogen van erotisch verlangen, maar het volgende zet reeds in met: ‘Ook als haar schacht krimpt’. In de laatste strofe van deze afdeling wordt de titel verklaard:

‘Ook als jij ’n laatste atoom van je lichaam schraapt, zou je oplevend dood willen zijn
als laatste hart (eiland), als laatste berg (buik) of gewoon schitterend als kut (gletsjer)’

tja…en dan moet de uitsmijter nog komen! Want in de laatste afdeling Dochter van gaat de bundel pas echt los. Het is een 18 pagina’s lang volgehouden monoloog in de mond gelegd van de dochter van een gezin (‘de Noachsen’) dat uitverkoren was als enige de zondvloed te overleven. In het taalvuurwerk van deze monoloog, vol grimmigheid en rebellie, toont Anne Vegter dat ze ook terdege ervaring met toneelteksten heeft. Krachtige, muzikale zinnen. Ondanks hoekigheid van de woorden, rolt het zich in gezwinde vaart naar het wrange slot. Nadat de ‘ik’ zich in een prozaregel in eigen stijl heeft gepresenteerd ‘ik ben van net na de schepping’, vangt de eigenlijke monoloog van de dochter als volgt aan:

‘we hadden allerlei woorden
voor zand hadden we
zandstorm
zandsteen
zanddieren
zandberg
voor rood
roodachtig
roestrood
roodgeaderd
roodblind
voor aarde ook woorden:
aardappel hadden we
aardappelakker
aardig hadden we
dat je van je aard aardig was
of boosaardig
we hadden droog
droogvallen
we hadden opdrogen met de armen wijd
water
we hadden droog voor water
droogwater
voor rood hadden we nog
rood water
en toen alles achter de rug was
hadden we dood
doodwater

ik, mijn broers, mijn moeder en mijn vader
ziehier mijn familie noach:
de heer en mevrouw noach, de brave zoontjes noach en ik
de noachsen
met zijn vijven
in shock
verongelukt
allemaal noachsen
de verongelukten
hadden gewoon pech gehad
ik haat pech
al kan ik ongeluk dat op me af komt
beter aan
dan ongeluk van binnen uit’

Blijkt natuurlijk dat als enige familie overleven allerminst een aangenaam soort uitverkoren betekent. De vader ontpopt zich als een tiran, laat anderen het werk doen: ‘hij zit op de luie kont / die hij van god heeft afgekeken’.  Het loopt dan ook niet goed af, want de dochter pleegt een incestueuze vadermoord. Naverteld zou het gedicht wellicht een feministisch getint, antipaternalistisch manifest ogen, maar dat zou buiten de eigenzinnigheid van Vegter gerekend zijn. Die lijkt geen echt program te hebben. Haar regels gaan het liefst nergens heen, ze willen er gewoon graag zijn! De zinnen lijken soms liever te knarsen dan te zingen, maar raken doen ze je niet minder. Vegter laat haar fantasie niet ringeloren door wat bon ton is.

Niet met ieder gedicht uit Eiland berg gletsjer heeft zij zichzelf overtroffen, maar de lange slotmonoloog mag zonder meer gelden als een hoogtepunt in haar werk. En zeker ook in deze bundel is zij er in geslaagd het genoegen dat zij aan het omspitten van de ommuurde taaltuin van de poëzie heeft beleefd, op de lezer over te brengen. De laatste wordt ook hier getrakteerd op tal van zinnen die het verdienen om niet meer uit het geheugen te verdwijnen.

Eiland berg gletsjer

Auteur – Anne Vegter
Verschenen bij: Uitgeverij Querido
Prijs: € 17,95

 

Meer van :

17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong

Recent

12 oktober 2017

Een antikrimi

Over 'De rechter en zijn beul' van Friedrich Dürrenmatt
11 oktober 2017

De stijl tekent de man

Over 'Mijn grote appartement' van Christian Oster
10 oktober 2017

Eindeloos gepieker

Over 'Parttime astronaut' van Renée van Marissing
5 oktober 2017

Op drift geraakt

Over 'Stille grond' van Sanneke van Hassel

Verwant