Denis Johnson – De naam van de wereld

Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

Recensie door Anky Mulders

In De naam van de wereld (2000) van de Amerikaanse auteur Denis Johnson (1949-2017) werkt universitair docent Geschiedenis Michael Reed bij de faculteit Geesteswetenschappen in het midwesten van de VS, en gaat hij ‘ogenschijnlijk verlamd of onverschillig’ door het leven, nadat hij vier jaar eerder zijn vrouw en dochter verloor door een auto-ongeluk. Hij bleef doen wat hij al jaren deed. ‘Ik kwam opdagen waar ik was uitgenodigd. Ik las heel wat af in de bibliotheek. Ik ging in mijn eentje naar de film. Ik keek naar de schaatsers op het campusmeertje. Heel wat vaker dan ik aan de grote klok zou willen hangen had ik denkbeeldige gesprekken met ene Bill’. Bill is suppoost bij een museum en wisselt zelden een woord met bezoeker Michael.

In het begin van het boek ontmoet hij tijdens een dinertje onder anderen Heidi Franklin, een historica van de kunstacademie. Ook aanwezig is een jonge studente die voor de aanwezigen cello speelt. Tien pagina’s verder gaat Michael naar het Schone Kunstengebouw om Heidi op te zoeken. Hij wordt verwezen naar een ruimte waar een ‘Cannon Performance’ gaande is. ‘…op een klein podium zat een vrouw met haar benen wijd op een tafel, haar linkervoet opgetrokken naast haar […] die bezig was haar ingezeepte venusheuvel te scheren.’ Dan schrijft Johnson: ‘Het duurde even voordat ik de jonge vrouw herkende die ik […] had ontmoet als Heidi Franklin, dat wil zeggen, de aangeschoten celliste in de blauwe fluwelen jurk.’ Maar bij dat dinertje is Heidi niet de aantrekkelijke roodharige in een blauwe fluwelen jurk (dat is de studente/celliste) maar een ‘vriendelijke maar onbeholpen vrouw, nauwgezet en wanhopig… niet moeders mooiste,’.

Storende twijfel

Enkele pagina’s verder schrijft Johnson dat Michael, als hij weer buiten staat, Heidi Franklin straal vergeten was. Ze komt inderdaad in het hele boek niet meer voor. De studente/celliste daarentegen wordt de pijler waarop het verhaal rust. Het is moeilijk voor te stellen dat Johnson met zijn handelskenmerk van trefzekere stijl en precieze zinnen hier een vergissing gemaakt heeft. Bovendien heeft hij er een handje van om zijn personages van een onduidelijke achtergrond te voorzien. Meerdere paspoorten, gevaarlijk werk en al of niet aanverwante dubieuze bezigheden, illegale plannen en vage doelen, doemen veelvuldig op in zijn verhalen en soms zelfs de vraag of iemand überhaupt bestaat. Johnson laat altijd reden tot twijfel. In De naam van de wereld laat hij Michael denken: ‘Zelfs feiten die dingen betroffen bevielen me niet, en op een heimelijke manier kreeg ik een hekel aan de waarheid zelf.’ Als de verwisseling van Heidi en de celliste al een bedoeling had, blijft die tot op het einde een raadsel. En eigenlijk stoort dat.

Spel

Steeds “toevallig” komt Michael ergens de kunststudente/celliste tegen. Ze blijkt de merkwaardige naam Flower Cannon te bezitten, waar ze later een verklaring voor geeft. Ze vertelt hoe ze als kind eens, via een man die haar meenam, terechtkwam in een huisje van peperkoek en dat daar wel of geen blind meisje aanwezig was. Van het blinde meisje overpeinst Michael of het misschien de geest van zijn overleden dochtertje was. Zo haspelt Johnson wederom personages door elkaar.

Na de eerste toevallige ontmoeting denk je als lezer, nee, het zal niet waar zijn, niet de banaliteit van jonge vrouw – oudere man, na de regelrechte verwijzing naar het seksuele tijdens de performance en kort daarna als hij haar toevallig als stripper ziet optreden. Maar jawel, steeds duikt Flower Cannon weer op in losse situaties en scènes waarin een spel van aantrekking en afstoting lijkt te worden gespeeld. Het maakt de indruk van een zwaktebod van de auteur, iets wat niet des Johnsons is. Het is ook niet de bijna-seks met Flower die tot Michaels catharsis zal leiden. Schrijver Auke Hulst heeft het in zijn haast lyrische nawoord over de ‘diepere lagen’ van hun ontmoetingen. En die zijn nou juist ongeloofwaardig, want nietszeggend en semi-vertrouwelijk. De diepgang mag de lezer er zelf bij bedenken.

Kerkzang

Denis Johnson vindt zichzelf een christelijke schrijver die zich afvraagt hoe het zit met de existentie van God in een onrustige wereld, zo memoreert de New York Times in mei 2017 de dan net overleden schrijver: ‘Ik heb het gevoel dat God ons nogal grappig vindt. Maar dat is alles wat ik uit naam van God kan zeggen. Hij houdt zich niet met mij bezig.’ Dit zien we terug in De naam van de wereld. Nadat Michael Flower Cannon vanuit een supermarkt volgt komt hij in een grote kerk bij een sekte terecht. De volgende pagina’s worden gedomineerd door de kerkdienst en de aanwezigheid van Flower, en komt Johnsons idee van God naar buiten. ‘… ik had er inmiddels al behoorlijke tijd grondig de pest aan, aan die moordenaar, die dader, in wiens wezenloze zilveren ogen niemand te onbetekenend was, te onopmerkelijk, te onschuldig en klein om over het hoofd te worden gezien bij het uitdelen van drama.’ Dit ‘almachtige ding’ dat Michael ‘als een duisternis en een last’ beschouwde verdwijnt tijdens de kerkzang waaraan hij zelf ook meedoet. Hij is bevrijd van zijn lijden, er is geen God. Maar Johnson zou Johnson niet zijn als niet ook dit boek getuigt van zijn fijnzinnige onderkoelde humor. ‘Ik ben zo iemand die denkt dat hij wijs kan houden, en dus zong ik mee, en niemand snoerde me de mond. Tot even over zes […] loofden we het lege universum. Ik voelde onze harten almaar omhooggaan in een eindeloze interval zonder dat ze iets in de weg werd gelegd. Heel mijn gelukzalige bevrijde ziel kwam mijn keel uit.’

Stem van de schrijver

Na de bijna-seks ziet hij Flower Cannon niet meer. De rouw wordt minder. Zijn baan is hij inmiddels kwijt want zijn contract werd niet verlengd. De laatste twee pagina’s van De naam van de wereld doen denken aan andere boeken van Denis Johnson. Michael laat zich dan inhuren om als journalist naar oorlogsgebieden te gaan, waarmee we weer op vertrouwd terrein zijn. In exotische oorden, geweld, avontuur, risico, misdaad, de zelfkant van de maatschappij, overlevingsstrategieën en illegaliteit, prevaleert de stem van de schrijver die zich niet liet kennen. In scherpe zinnen blootgelegd menselijk tekort en weemoed zijn in Johnsons verhalen nooit afwezig. Rauwheid in De gulheid van de zeemeermin, drugs in Jezus’ zoon, oorlog en spionage in De lachende monsters en Tree of smoke. En juist daar, in de hardheid van het leven lijkt Johnsons ongrijpbare ziel te wonen. Niet in de banaliteit die maar niet wil wijken in De naam van de wereld, ondanks de prachtig gestileerde zinnen. Het maakt dit boek een beetje teleurstellend.

 

 

Omslag De naam van de wereld - Denis Johnson
De naam van de wereld
Denis Johnson
Vertaling door: Peter Bergsma
Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik (2020)
ISBN: 9789492313898
136 pagina's
Prijs: € 22,50

steun-ons

Jaarlijks publiceert Literair Nederland ruim vierhonderd boekrecensies en literaire berichten mede dankzij donaties van lezers. Uw hulp om boekrecensies, interviews, columns en essays in de toekomst te laten verschijnen is nodig. Klik voor een bijdrage. Onze dank is groot!

Meer van Anky Mulders:

Recent

26 november 2020

Met woorden alles mogelijk maken

Over 'Honderd hoge dagen' van Tomas Lieske
25 november 2020

De wereld op zijn kop

Over 'Piranesi' van Susanna Clarke
24 november 2020

Ambitieuze roman tegen de achtergrond van de nieuwe staat Zambia

Over 'De rook die dondert' van Namwali Serpell
23 november 2020

De binnenstaander

Over 'Vluchthaven' van Anne van den Dool
20 november 2020

De draagwijdte van een keuze

Over 'Het leven speelt met mij ' van David Grossman

Verwant