Michel Houellebecq – De kaart en het gebied

Superieur gemopper van een nietig mens

Door Sheila van Rheenen

In het tweede deel van De kaart en het gebied wandelt Michel Houellebecq zijn eigen roman binnen. De manier waarop hij zichzelf introduceert, is een knipoog naar glossy interviews waarin ‘de mens achter de beroemdheid’ gretig wordt uitvergroot:

‘Hij belde aan, wachtte een halve minuut en de auteur van Elementaire deeltjes kwam opendoen, op pantoffels, gekleed in een ribfluwelen broek en een comfortable kamerjasje van ongebleekte wol. Hij nam Jed lang en nadenkend op en richtte zijn blik toen op het gazon met een mijmerende, droefgeestige uitdrukking die hem leek aan te kleven.’

Houellebecq beschrijft zijn romanversie als een schurftige, eenzame man met een drankprobleem. Die introductie van zichzelf binnen het kader van een roman roept associaties op met Summertime, de quasi-biografie van Coetzee waarin hij een kritisch beeld van zijn overleden zelf laat schetsen. Maar waar Coetzee’s zelfportret adembenemend menselijk is, lijkt Houellebecq in eerste instantie vooral een lange neus naar de wereld – de Franse media in het bijzonder- te maken.

‘De wereld heeft genoeg van mij. En ik al evenzeer van haar’. Dit citaat van de dichter Charles d’Orléans koos Houellebecq als motto voor zijn boek. Het laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.

In De kaart en het gebied  heeft de kunstenaar Jed Martin bekendheid verworven met een fotoserie van Michelinkaarten. ‘De kaart is interessanter dan het gebied’, was de titel van de bijbehorende tentoonstelling. Inmiddels werkt hij al geruime tijd aan een serie geschilderde beroepsportretten. In deze fase van zijn leven waarin hij worstelt met zijn laatste werk, (Damien Hirst en Jeff Koons verdelen onderling de kunstmarkt), zijn combiketel en zijn herinneringen, vraagt Martin de schrijver Michel Houellebecq een inleiding bij zijn catalogus te schrijven.

Hun eerste ontmoeting vindt plaats in Ierland waar de schrijver op dat moment woont.  Na een avond in zijn gezelschap te hebben doorgebracht, besluit Martin een portret van Houellebecq te schilderen. Wanneer hij de schrijver een paar maanden later opzoekt met een fles dure wijn, treft hij ‘de auteur van Weerbaarheid’ in een zekere staat van verwaarlozing aan:

‘”Eén fles maar?” vroeg de auteur van Het streven naar geluk, terwijl hij zijn nek strekte naar het etiket. Hij stonk een beetje, maar minder dan een lijk; het had al met al slechter kunnen gaan.’

Na de tentoonstelling die hem puissant rijk heeft gemaakt, gaat Martin nog één keer bij de schrijver langs, dit keer om hem zijn portret te overhandigen. Houellebecq is inmiddels teruggekeerd naar Frankrijk en heeft zijn intrek genomen in het huis op het Franse platteland waar hij zijn kinderjaren heeft doorgebracht.

Zoals Martin al voorvoelt, is het hun laatste ontmoeting. Niet lang daarna zal de schrijver bruut aan zijn einde komen en samen met zijn hond Plato gefileerd tot kleine stukjes vlees als Action Painting op de vloer van zijn huiskamer door de plaatselijke gendarmerie worden aangetroffen. Jed Martin stopt met schilderen en richt zich in de laatste jaren van zijn leven op het filmen van afgedankte computermoederborden.

Deze schrale plot lijkt niet meer dan een alibi voor de schrijver om uitgebreid te fulmineren en te filosoferen. Die schraalheid betreft ook de geschakeerdheid van de (mannelijke) personages die de roman bevolken. Zonder uitzondering zijn het opzichtige pendanten van de schrijver: bordkartonnen Houellebecqjes die zich mensen- en relatiemoe uit de wereld hebben teruggetrokken.

Maar steeds als de eenkleurigheid van zijn personages gaat tegenstaan, volgt er weer een onverwachte geestigheid die veel goedmaakt. ‘Ik ben teruggevallen… Ik ben qua charcuterie helemaal teruggevallen.’ laat hij Houellebecq ergens sip constateren.

Wat mij wel voor de mannen van Houellebecq inneemt, is hun eeuwige geaarzel dat zelden gaat over hoe zij zouden moeten handelen, maar altijd over wat zij zouden mogen verwachten van het leven. Toch mept Houellebecq ons keer op keer weg bij zijn personages. Steeds wanneer een karakter al te menselijke trekken vertoont, volgt er weer een ironisch, afstand scheppend intermezzo. Iemand ziet de siliconenborsten van zijn vrouw als haar grootste kwaliteit. Er wordt superieur gejammerd over een lievelingsparka die niet meer in productie is. De arts van de euthanasiekliniek die Houellebecqs vader heeft geholpen, krijgt een muilpeer en de commissaris die belast is met het onderzoek naar de moord op de schrijver, betreedt de plaats delict uiteraard op Maigreteske wijze:

‘Zodra hij het portier van de Safrane opendeed begreep Jasselin dat hij voor een van de ergste momenten van zijn loopbaan stond. Op een paar passen van het hek zat luitenant Ferber lethargisch met zijn hoofd tussen zijn handen in het gras, volmaakt onbeweeglijk.’

(…)

‘Langzaam, als een jongen die straf krijgt, keek Ferber op en wierp hem een klaaglijke, verbitterde blik toe.

“Is het zo erg?” vroeg Jasselin zacht.

“Nog erger. Erger kun je je niet voorstellen. Degene die dit heeft gedaan…zou niet mogen bestaan. Hij zou van de aardbodem moeten worden weggevaagd.”

“We krijgen hem wel, Christian. We krijgen ze altijd.”‘

Op de grafsteen van de vermoorde schrijver staat de afbeelding van een möbiusband. Het is alsof de auteur van Platform wil benadrukken dat we in ons leven ogenschijnlijk ergens naar toe gaan, maar dat aan het eind van onze rit de weg die we bewandelen gewoon de andere zijde blijkt te zijn van het pad waar we ooit begonnen.

Dit duizeligmakende principe vlecht Houellebecq met steeds weer andere ballorige vondsten door zijn verhaal. Zo laat hij de schrijver aan het eind van zijn leven weer slapen in zijn oude kinderbed, en blijkt zijn doodskist een kinderkist van slechts 1.20m lang. Door zijn gefileerde toestand is hij ‘niet meer dan een klein, compact hoopje van veel geringere omvang dan een normaal menselijk lijk.’

De kaart is interessanter dan het gebied. Kunst is belangwekkender dan de mens. Houellebecq kan er met zijn bladzijdenlange uitweidingen over kunst en zijn gemopper op de nietigheid van de mens geen genoeg van krijgen om dit te benadrukken. Tegelijkertijd ondermijnt hij met zijn geschmier, zijn treiterige cursiveringen en wikipedia-feitjes voortdurend het gewicht van zijn werk.

‘Ik denk dat ik het wel zo’n beetje gehad heb met de wereld als verhaal- de wereld van romans en films, de wereld van muziek ook. Ik interesseer me alleen nog maar voor de wereld als nevenschikking – de wereld van de poezie, van de schilderkunst’, verzucht de schrijver vlak voor zijn dood. Misschien is De kaart en het gebied niets anders dan de bewuste onttakeling van een roman.

 

 

Omslag De kaart en het gebied - Michel Houellebecq
De kaart en het gebied
Michel Houellebecq
roman
Verschenen bij: De Arbeiderspers
ISBN: 9789029575171
343 pagina's
Prijs: € 12,50

Recent

15 december 2017

Drakenbloed en hoestende koeien

Over 'Tijl' van Daniel Kehlmann
14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
11 december 2017

Niet alles hoeft begrepen om te zien hoe prachtig het is

Over 'Finisterre' van Eugenio Montale

Verwant