20 mei 2011

Recensie: De geheugenhut – Tony Judt

Recensie door: Albert Hogeweij

Nog geen jaar geleden overleed de befaamde, in de naoorlogse geschiedenis gespecialiseerde historicus Tony Judt (auteur o.a. van het boek Dit land is moe, over de verworvenheden van de sociaaldemocratie, dat in 2010 aan alle leden van de Tweede Kamer is uitgereikt) op tweeënzestigjarige leeftijd aan ALS, ofwel: amyotrofische laterale sclerose. Een gruwelijke ziekte waarbij de motorische zenuwen in het ruggenmerg afsterven en het lichaam spier voor spier verlamd raakt, totdat ook praten, slikken en ademhalen niet meer mogelijk is.

De aanzegging van deze wrede ziekte doet je belanden in de wachtkamer van de dood, in het volle bewustzijn echter – want de intellectuele functies van de hersenen blijven intact – dat de muren van die wachtkamer zich langzaam naar je toe zullen bewegen, totdat je er uiteindelijk door geplet zult worden. Wie aan deze ziekte ten prooi valt ‘moet ergens de goden tegen zich in het harnas hebben gejaagd, en meer valt daarover niet te zeggen’, aldus de auteur zelf. Omdat er geen pijn bij komt kijken heeft de patiënt ‘in tegenstelling tot bij vrijwel elke andere ernstige dan wel dodelijke ziekte (…) dus met een minimum aan ongemak alle tijd om rustig over de rampzalige voortgang van de eigen aftakeling na te denken.’ Het naderende einde confronteert de mens met de afgelegde levensweg.

’s Nachts lag Judt urenlang wakker en liet hij zich door zijn geheugen vervoeren naar die speciale ervaringen, belevenissen en gebeurtenissen die zijn leven hadden verbijzonderd en verrijkt. Tot weinig anders inmiddels meer in staat schreef hij ’s nachts ‘in [zijn] hoofd’ hele verhalen waarin hij veel scherper dan voorheen verbanden bleek te kunnen leggen. Zo ontstonden allerlei ‘kroniekjes’ van zijn leven. Alleen was hij niet meer bij machte ze zelf op te tekenen. Hij moest wachten tot de volgende dag iemand kwam aan wie hij het kon dicteren. Om ervoor te waken dat hij zijn verhaaltjes niet zou vergeten, nam Judt zijn toevlucht tot de klassieke geheugensteun in de vorm van een gebouw waarin je de weg goed kent. Voor de denkers uit het verleden waren dat veelal paleizen, maar omdat Judt betere herinneringen bewaart aan de Zwitserse berghut van de vakantie uit zijn jeugd, kiest hij zijn geheugenpaleis in de vorm van de Zwitserse chalet. En zo vulde zich zijn ‘geheugenhut’ met een mooie verzameling herinneringen, overpeinzingen en wetenswaardigheden. Ze verschenen bij zijn leven nog in de New York Review of Books in de hoop dat ‘mijn ouders, mijn vrouw en vooral mijn kinderen deze vingeroefeningen zullen lezen als getuigenis van mijn niet aflatende liefde voor hen allen.’ Niet lang daarna werden ze, postuum, gebundeld als The Memory Chalet.

Het zijn fraai geschreven essaytjes van een man die weliswaar het einde in de ogen kijkt, maar nog met een laatste, liefdevolle en warme blik afscheid wil nemen van wat hem dierbaar is geweest in zijn leven. Hij prijst zich gelukkig dat hem daarin zoveel ten deel is gevallen en is blij dat hij in een tijdvak heeft geleefd waarin hij de deugd van soberheid leerde kennen. Dat heeft hem behoed voor het zich laten meeslepen door platvloers materialisme. Nergens kleuren de herinneringen sentimenteel, al zijn ze soms van nostalgie (‘Maar nostalgie is een buitengewoon bevredigend tweede huis’) niet geheel gespeend. Slechts één essay wijdt hij aan zijn ziekte.
Judts toon is eerder laconiek dan larmoyant. De uiteenlopende onderwerpen die Judt onder de loep neemt (o.a. de auto’s uit zijn jeugd, het voedsel, de Green Line Bus, een geliefde leraar) zijn chronologisch gerangschikt en uitgesmeerd over drie delen. En passant krijgt de lezer een beeld van Judt als kind oplopend tot puber, tot student en later tot wetenschapper.

Geboren uit Joodse ouders, met een vader die met een Oost-Europese achtergrond geboortig was van Antwerpen en een in Londen ter wereld gekomen moeder die banden had met Rusland en Roemenië, en zelf verkast van Londen naar Parijs en later naar New York, was Tony Judt in de wieg gelegd om zich met ‘identiteit’ bezig te houden. Toch bekent hij dat het ‘warme bad van de identiteit [hem] altijd [heeft] koud gelaten’. Hij schaart zich bepaald niet achter die mensen die menen: ‘je bent wat je grootouders geleden hebben’. Judt bezit een scherp oog voor de uitsluitende strategie van het begrip identiteit, waar anderen dat juist om díe reden hoog in het vaandel hebben staan. Verbonden voelt hij zich met de ‘toleranten en de marginalen, de randfiguren. Mijn mensen.’ Vandaar dat hij later ook goed kon aarden in New York, ‘een stad die zich meer thuisvoelt in de wereld dan in het land waar het in ligt’. Hoewel Tony Judt in die naoorlogse tijd nog genoeg is lastiggevallen met vooroordelen jegens Joden, heeft hij zich niet collectief willen scharen achter ‘de Joden’ of het zionisme, waarmee hij als zeventienjarige socialistische sympathisant op de kibboets kennismaakte, maar dat hij een paar jaar verder genadeloos afserveert: ‘In werkelijkheid waren dit natuurlijk provinciaalse en tamelijk conservatieve gemeenschappen, waarvan de ideologische rigiditeit het beperkte inzicht van veel van de leden moest camoufleren.’

In het essay Toni, handelend over zijn tante Toni Avegael die hij, naar haar vernoemd, echter nooit heeft gekend omdat ze in de oorlog als joodse is vergast, toont Judt echter wel in particuliere zin zich verbonden te voelen met het lot van zijn Joodse familie. Het wezen van het Jodendom ligt voor Judt in ‘de gevoeligheid voor collectieve zelfbevraging en het vertellen van ongemakkelijke waarheden, dat dafka-achtige talent [=dwarsligger] voor pijnlijkheid en verschil van mening waar we ooit om bekend stonden. (…) We behoren de meest mededogenloze critici van die [de conventies] van onszelf te zijn.’ Dat hij voor ‘ongemakkelijke waarheden’ niet terugdeinst siert hem, al bracht het hem herhaaldelijk in conflict met zijn omgeving. Toch was er in Judts leven ook een conformistische fase; eentje waarin hij als twintigjarige doelbewust het revolutionaire Parijs van ’68 bezocht. Terugblikkend geeft hij grif toe: ‘zoals zoveel babyboomers conformeerde ik me aan nonconformiteit’. En dan in zijn kenmerkende, licht ironische toon: ‘Niemand hoeft zich er schuldig over te voelen dat hij op het juiste ogenblik op de juiste plaats is geboren. Wij in het Westen waren een gelukkige generatie. Wij hebben de wereld niet veranderd, maar de wereld was zo goed voor ons te veranderen.’ Hij ziet later in hoe ongerijmd het was dat, hoewel in Parijs het revolutionaire vuur werd opgestookt, intussen niemand warm liep voor de echte revolutie die op hetzelfde moment in Praag in alle hevigheid woedde. Later compenseerde Judt deze ‘gemiste kans’ door zich in te zetten voor dissidenten in het Oostblok en door Tsjechisch te gaan leren.

Judt mag een verklaard tegenstander van het om zich heen woekerende neoliberalisme met zijn privatiseringszucht zijn, aan wie af en toe een enkele polemische oprisping ontsnapt, maar achter deze kronieken gaat echter niet zozeer een politieke agenda schuil, als wel de wens een eerbetoon te brengen aan die dingen in zijn leven die het bijzonder maakte en die hem gevormd hebben. Vooral die uit zijn Londense jeugd worden gekenmerkt door een grote sensitiviteit. De jonge Tony heeft de wereld scherp waargenomen. Dat zijn zinnen nergens doorbuigen door een overdaad aan details, komt omdat Judt goed maat weet te houden en daarbij een groot stilist is. Hij doseert de informatie goed en is genoeg Engelsman gebleven om zijn herinneringen met het nodige ‘wit’ te kruiden. Dus mooie, intelligent geformuleerde zinnen volop. In het stukje Eten: ‘Dankzij mijn vader doken er af en toe camembert, sla, echte koffie en andere traktaties op, maar mijn moeder stond daar net zo wantrouwend tegenover als ten opzichte van elke andere vorm van import van het Europese vasteland, ongeacht of die gastronomisch of menselijk was.’ In het essay over het verval van de veerboten over Het Kanaal: ‘Voorbij is de tijd dat Engelse reizigers met vochtige ogen van het dek de krijtrotsen van Dover zien naderen, elkaar feliciteren met de overwinning in de oorlog en opmerken dat het zo fijn is weer terug te zijn bij ‘echt Engels eten’. Boulogne lijkt tegenwoordig weliswaar steeds meer op Dover, (terwijl Dover helaas nog steeds vooral op zichzelf lijkt), maar de oversteek van Het Kanaal leert ons nog altijd een boel over beide kanten.’ Uit het stuk Midlifecrisis: ‘Andere mannen wisselen van vrouw. Of van auto. Of van geslacht. De zin van een midlifecrisis is een demonstratie van continuïteit met de eigen jeugd door iets volledig anders te gaan doen.’ Op dezelfde bladzij: ’Ik was zeker van mijn baan, had professionele verantwoordelijkheden en woonde in een mooi huis. Huiselijk geluk zou te veel gevraagd zijn geweest, maar het ontbreken ervan was gaan wennen.’ Over wat bijdroeg aan zijn motivatie om Tsjechisch te gaan leren, nadat hij in de jaren tachtig, politicologie docerend, publiekelijk voor een Tsjechische intellectueel in de bres was gesprongen, zonder evenwel diens taal te spreken en daarmee de politieke gevoeligheden van diens positie te kunnen taxeren: ‘Dat Thames [= zendgemachtigde van het Britse ITV televisienetwerk] me negeerde was tot daar aan toe, want ik vond het niet erg om onbelangrijk te zijn. Ik nam er echter wel aanstoot aan dat ik zowel onbelangrijk als ongeïnformeerd werd gevonden. Voor het eerst in mijn leven had ik me over een plaats en een probleem uitgelaten waarvan ik de taal niet kende. Ik weet wel dat politicologen dat voortdurend doen, maar daarom ben ik ook geen politicoloog.’

Iets anders dat prettig treft is het evenwicht dat Judt bewaart tussen het particuliere en het algemene. De lezer komt minstens zoveel over gebruiken in het Londen van de jaren vijftig, of over bijvoorbeeld de gebruiken op King’s College in Cambridge aan de weet dan over de inwerking daarvan op de auteur.

Wat mij ten slotte ook sterk voor Judt doet innemen is zijn liefde voor Zwitserland. Dwars tegen alle modes en voorschriften in. Al eerder in De geheugenhut liet hij blijken warme gevoelens voor dat land te koesteren: ‘tientallen jaren geleden verloor ik mijn hart ergens op een Zwitserse berghelling, maar de rest van mijn lichaam was zo dom verder te reizen.’ Maar in het allerlaatste essay Toverbergen bekent hij zijn liefde voor het land van de koekoeksklokken ronduit. ‘Je hoort niet van Zwitserland te houden. Blijk geven van genegenheid voor de Zwitsers en hun land is net zoiets als terugverlangen naar The Brady Bunch of het roken van sigaretten. Je staat dan onmiddellijk te boek als iemand die schandalig weinig van de ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar heeft meegekregen, en die ongeneeslijk en op de ergst denkbare manier conventioneel is. (…) Waarom ik er dan toch van hou? Het land heeft om te beginnen de voordelen van zijn tekortkomingen.’ Vervolgens prijst hij de voordelen van de nadelen. Nou ja, Judt blijkt gewoon verliefd op dat land! Dat zijn speciale liefde niet een algemeen geaccepteerd land als Italië geldt, bewijst te meer dat Judt zich weinig aan heersende normen gelegen laat liggen. Behalve dan aan de Zwitserse wel te verstaan, want ‘In een trein uit Interlaken ben ik een keer door een oudere dame berispt omdat ik de buitenkant van mijn linkervoet op het hoekje van de stoel tegenover me zette. In Engeland, waar het niemand zou zijn opgevallen of iets had kunnen schelen, was ik door een dergelijk ongeremde bemoeizucht waarschijnlijk flink van mijn stuk geweest, maar in Zwitserland schaamde ik me vooral voor het doorbreken van zo’n voor de hand liggende omgangsvorm, betrokken als ik was bij de gedeelde verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn.’

Het boek eindigt met een soort visioen, dat tevens de almacht van de verbeelding viert: ’We hebben het niet voor het kiezen waar we ons leven beginnen, maar we kunnen eindigen waar we willen. Ik weet waar ik zal zijn, onderweg naar nergens in het bijzonder, in dat kleine treintje [in het Zwitserse Mürren], voor eeuwig en altijd.’
Een serene finale. Wetende dat hij op het punt stond het leven te verliezen, heeft hij zich geen slecht verliezer willen betonen door de dood te provoceren met cynisme. De geheugenhut is daarmee een waardig testament geworden.  

De geheugenhut

Auteur: Tony Judt
Vertaald door: Wybrand Sheffer
Verschenen bij: Uitgeverij Contact
Prijs: € 24,95

Meer van :

20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef

Recent

14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman
8 november 2017

Biografie Herman de Coninck gedicteerd door De Coninck zelf

Over 'Toen met een lijst van nu errond' van Thomas Eyskens
7 november 2017

De dreiging van het duister

Over 'Wol' van Aart Taminiau

Verwant