Daan Doesborgh – Moet het zo

Geloven in het eigen dichterschap

Recensie door Johan Reijmerink

De Russische schrijver en filosoof Leo Tolstoï (1828-1910), bekend van zijn beroemde roman Anna Karenina (1877), schreef in een van zijn brieven dat ‘werkelijk genoegen niet bestaat, behalve dat wat zijn oorsprong vindt in scheppende arbeid. Wat is moeilijker weer te geven dan de waarheid, wat komt moeilijker tot stand dan helderheid?’ Daan Doesborgh is in zijn nieuwe bundel Moet het zo op zoek naar een verstaanbare manier om tegen de vergankelijkheid in aan zijn dichterschap gestalte te geven. 

In zijn gedicht ‘Prefiguratie’, voorafgaand aan de bundel, raakt Doesborgh aan zijn voorgeschiedenis waarin de religie een rol speelde. Hij verwijst onder meer met het ‘ruisen van de beukenhaag’ naar een religieuze ervaring op de manier, zoals God Elia nadert op de berg. De dichter lijkt zich hierin bewust te worden van de scheppende arbeid die hem zo nu en dan te boven lijkt te gaan. Met deze religieuze grondtonen opent Doesborgh zijn bundel die uit vijf afdelingen zonder titel en van verschillende lengte bestaat. Het is aan de lezer om de thematische noemer vast te stellen. Achter in de bundel noemt Doesborgh een groot aantal dichters aan wie hij schatplichtig is: ‘I think my friends have gathered here for me.’ (Nick Cave) Of hij deze vermelding uit zelfvertrouwen doet, blijft vooralsnog de vraag. 

Angst in het donker

De eerste afdeling plaatst ons direct in de dodelijke actualiteit van Oekraïne. Een granaat, een ‘shrapnelkop ontbrandde’ in een zomerse nachtelijke ontmoeting boven Snizjne. Omgeven door angst in het nachtelijk donker lijkt alles wat het persoonlijke voelt, wordt overgedragen op de dingen. In het ‘Lang sonnet voor Laurens van der Graaff’ concretiseert het ik het dreigende gevaar met dodelijk afloop in dienst van het Oekraïense leger’. In het ‘Sonnet voor de eeuwige jeugd’ stelt hij zich voor, hoe het is om zo jong te moeten sterven: ‘Het niet-begrijpen [daarvan] wordt een tweede huid / Je groeit niet meer jaarlijks je denken uit’. 

Tragisch is dat in het gedicht ‘Cordyceps’ het ‘sprankelend begin’ van de geboorte tevens het einde inhoudt. Als een cordyceps, een schimmel, zijn we ‘het ware kwaad in de natuur’. In deze bedreigende werkelijkheid is er voor een ieder ‘een weg die je / verkent, er is een pad dat je bent.’ Onder deze bizarre omstandigheden personifieert het ik de dingen, zoals in het gedicht ‘September op het eiland’, waarin hij de steiger laat zeggen: ‘kruip tegen mijn wang / en kus me met je autobanden’. 

Doesborgh schroomt niet zich in zijn eigen onwerkelijke wereld terug te trekken. In zijn poëzie waart existentiële eenzaamheid, leegte en dreiging rond, waarin hij als oplettend waarnemer soms meegezogen dreigt te worden. Te midden van het muzikale geweld kringelen de gedichten ‘als gas tussen haar lokken’ van Sappho omhoog. In het laatste titelloze gedicht op het plein gaan allen dood, ‘haast terloops’ / en meteen daarna / was alles [weer] weids en licht’. In meerdere gedichten lijkt het ik vrij te zweven, en los van zijn werkelijkheid te komen. 

Gezondheid en bestaanszekerheid

In de tweede afdeling twijfelt het ik in ‘De dokter en ik’ aan zijn gezondheid, sterker nog aan zijn bestaan. Hij gaat te rade bij een pièta en vertrouwt zich denkbeeldig toe aan de armen van Maria: 

‘ik ben Christus op Golgotha
 of een onbedaarlijke aansteller
 maar niets daartussenin
 ik denk in grotere woorden dan ooit’ 

Hij weet zich na deze dokterssessie gezond verklaard, en verbaasd zich daarover. Gezond willen zijn en bestaanszekerheid voeren de boventoon in deze afdeling: ‘Het leven zwemt / blikkerend voorbij, niet ziek is / niet klagen.’ Voortdurend leeft het ik in een sfeer van onbestemdheid, alsof hij het leven uit zich voelt wegvloeien, al dan niet verkankerd. Hij vraagt zich dan ook af, hoe kan er dan uit het niets een gedicht ontstaan? 

‘zoals je
 uit het niks een dag gezond was
 en de volgende niet.

Het ik voelt zich nog altijd door de dood bedreigd en vraagt zich af wie van zijn vrienden als eerste zal gaan. Zijn remedie tegen deze levensbedreigende gedachten is het draaien van een film. Net als in de film blijft de afloop van het leven onvoorstelbaar. De doodsangst bedreigt zijn levenszin. 

Dood en liefde omsluiten elkaar

De derde afdeling opent Doesborgh met een zeemanslied waarin het terugkerend refrein ‘We zijn doden maar we weten het nog niet’, duidt op een ontbrekend (zelf)bewustzijn van wat onze onbarmhartige condition humaine als levensles inhoudt. In de ‘Ballade voor mijn oma’ brengt Doesborgh een onthutsende hommage aan haar, een trotsmakend boegbeeld dat hem herinnert aan Slauerhoffs gedicht ‘Het boegbeeld: de ziel’. Zij vroeg hem haar te helpen het leven te verlaten: ‘er was een storm opgestoken in haar hoofd’. Dood en liefde omsluiten elkaar dikwijls in deze bundel. De dood van de ander betekent dat hij of zij nog meer aanwezig is dan daarvoor, zoals het slachtoffer op de cover van ‘Time Magazine’. Opnieuw komt de ellende van Oekraïne langs met een opzwellende rivier die de militaire opmars doet stranden. De natuur neemt de macht over. 

De dood is dominant in deze afdeling. Zo droomt het ik in het vijfdelige gedicht ‘Je mag niet dromen in gedichten maar wel doodgaan’, dat hij stierf: 

‘het lijkt alsof we reizen
 langs huizen vol graven
 om een eigen graf te vinden

 zodat men hier 

 in innerlijke vrede
 op het laatste oordeel wacht
 […]
 Een graf!
 zo hebben wij een lus geleefd!
 Op de meter af is zo ons einde
 ons begin.’

Zo ook in ‘Toen Thomas stierf’ weet het jarige ik zich overvallen door het nieuws van de dood van de ander die achter zijn laptop de dood in zich voelde zakken. Gevonden door andere mensen: ‘Jij was te dood en ik niet jarig genoeg.’  Wat in deze gedichten opvalt, is dat het ik zich zeer bewust wordt van het feit dat doden ‘snel vergeten wie we zijn’. In het gedicht ‘Travertijn’, opgedragen aan Menno Wigman, vraagt het ik zich af, waar de gedichten nu nog vandaan komen, 

‘wel
 dat die dode er iets
 mee te maken heeft, 

 Kom op zeg, je leest dit
 immers met mijn stem’

De vierde afdeling verwoordt vluchtgevaar voor het eigen leven: ‘Het was geen vluchten wat we deden, / een ontsnapping meer, aan iets / wat op ons leven leek. 

Een houding van gelatenheid die je de dreiging doet vergeten. Het ‘Gedicht met licht’, is een cruiseschip dat licht met bakken vol over het water uitstrooit. Het is zomer en de dingen gebeuren als vanzelf: ‘De iepen aan het water werpen grote / kanten schaduwrokken op de scheefgezakte / kade’ 

Zoeken naar zelfvertrouwen

Beeldrijk formuleren lukt Doesborgh lang niet altijd. Het is ook een moment van verrukking, je opgenomen weten in een groter geheel. Nadat het water van de ‘Maas’ gezakt was, waren alle stammen gedrapeerd met ‘knapperige Degasjurken’. Opnieuw doemt zijn oma op die ‘ziet uit het raam hoe de oever haar dagelijks nadert’. Als het ik vijf is, durft het niet uit het raam te kijken naar het naderende water.

Het zand van Aalsbeek aan de Maas blijkt in het achtdelige gedicht ‘Van water’ nauw verbonden te zijn met zijn levensgevoel: ‘ze zeiden toen / dat je geboren was uit water’. Het is de plek vol geheimenissen. Op het einde neemt de rivier zijn ruimte onder de lage lucht. Kiezels rollen ‘de laatste meter tot het water / dat likkebaardend je naam hijgt’. Met deze hartstochtelijke beelden neemt het natuurlijke leven zijn loop. Het gevecht met het achterlaten van de ander blijft. Ter geruststelling volgt er een ‘Bezwering’: 

‘je bent zoals je altijd bent geweest  

 en doet alsof je altijd zo zal zijn. Dan heb je
 spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan:
 bestaan in het volle licht van het bestaan.’

In de laatste afdeling komen we dichter bij wat het lyrisch ik bezielt. Bovenal is dat geloof hechten aan het dichterschap. Geen rijm. Geen trukendoos en alledaags taalgebruik, maar ‘schrijven alsof het er altijd al stond’. Deze poëticale opening zegt iets over het zoeken naar zelfvertrouwen door deze dichter: Zo is ten slotte elke gebeitelde regel / weifelend neergeschreven door iemand / die eerst moest geloven / in zijn eigen gezicht.’ 

‘Gezicht’ is hier in de betekenis van ‘beeld’ dat zich aan hem voordoet op het moment dat de dichter bezig is zijn woorden aan het papier toe te vertrouwen: ‘Wat denkt die vent [wel], / vanwaar dat licht?’ Gelooft hij er nog wel in? In hoeverre kan hij wegblijven van de vorm? Hier is enige worsteling bij het schrijven te proeven, terwijl de dichter tezelfdertijd behoefte heeft aan ‘spelregels’. De conclusie is voor hem duidelijk: hou je in dit spel klein, laat de taal haar werk doen. 

Al met al weet de dichter zich voor een onmogelijke opdracht gesteld. Toch ontleent hij troost in dit vergankelijke bestaan aan het grote gedicht van W.B. Yeats, terwijl het ‘meer zingt’. Wat er ook aan de overzijde gebeurt, ‘jij loopt over straat met dit gedicht. / Geen mens kan je iets maken.’ De dichtkunst geeft hem iets onoverwinnelijks. In ‘Het lied van der dwaze bijen’ van Nijhoff vindt de dichter zijn positieve slotakkoord. Daarin laten de nieuwe koningin en de bijen hem ‘dansend de stand van de zon […] zien’. Doesborgh heeft in deze bundel geprobeerd de vergankelijke wereld te begrijpen. Voor hem is het dichterschap een manier om daaraan tegenwicht te bieden: ‘bestaan in het volle licht van het bestaan.’

 

 

Omslag Moet het zo - Daan Doesborgh
Moet het zo
Daan Doesborgh
Verschenen bij: Van Oorschot (2024)
ISBN: 9789028214033
64 pagina's
Prijs: € 19,99

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Johan Reijmerink:

Recent

Literatuur als instrument voor zelfontdekking
22 mei 2024

Literatuur als instrument voor zelfontdekking

Over 'Hij/hem – Een ABC van regenboogboeken' van Redactie: Eric de Rooij, Coen Peppelenbos en Doeke Sijens
Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe
21 mei 2024

Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

Over 'Meisje ontmoet jongen ' van Ali Smith
Zwijgen als vorm van zelfbehoud
20 mei 2024

Zwijgen als vorm van zelfbehoud

Over 'Wat wij verzwijgen' van Aisha Dutrieux
Aangrijpend mooi zelfportret van een buitenbeentje
18 mei 2024

Aangrijpend mooi zelfportret van een buitenbeentje

Over 'Oever' van Ludwig Volbeda
Zusterschap zonder macht van klasse of ras
17 mei 2024

Zusterschap zonder macht van klasse of ras

Over 'Feminisme is voor iedereen (herziene editie)' van bell hooks