Chawwa Wijnberg – Het ontbreken hoor je niet

Poëzie met een lach en een traan

Recensie door Mathijs van den Berg

Chawwa Wijnberg (1942) debuteerde dertig jaar geleden met de bundel Aan mij is niets te zien. Behalve dichter is ze beeldend kunstenaar en columnist. Twee jaar was ze stadsdichter van haar woonplaats Middelburg. Het ontbreken hoor je niet is haar achtste bundel. Haar gedichten zijn eenvoudig en geëngageerd van aard. Ze schrijft vaak over haar joodse achtergrond, maar gaat ook regelmatig in op de actualiteit. Dit laatste doet ze in haar nieuwe bundel meer dan het eerste.

Wijsheden

Wijnberg schrijft zeer eenvoudige gedichten, bestaand uit korte regels. Ze gaan over  onderwerpen als ouderdom en vergankelijkheid, maar ook de vluchtelingenproblematiek en de robotisering van de samenleving komen aan bod. Wijnberg schrijft alles direct op, zonder veel beeldspraak. De gedichten zijn daarom na één lezing al te begrijpen. Dit eenvoudige zou je kunnen roemen als glashelder. Het zijn persoonlijke en eerlijke gedichten en daarom beslist sympathiek en integer. Maar originele inzichten, die ontstaan door de werkelijkheid te bevragen, biedt Wijnberg niet. Ze komt vooral met boodschappen:
‘als we/elkaar beloven/lief te hebben/maar ook in alle talen/in het Visch en Koeis/en luisteren naar vogels/en de bloemen/van het veld/dan hoeft een mens/geen lauweren/geen lauweren – geen geld.’ Mooi hoor. Het gaat in het leven om de ander, om de natuur, niet om geld. De bundel staat vol met dit soort wijsheden die nogal voor de hand liggen. Lezers zullen het vooral met haar eens zijn.

Wijnberg dicht vaak over geweld en intolerantie, thema’s die te herleiden zijn tot haar joodse achtergrond: ‘In gedachten/doe ik de helm/op mijn hoofd/en bedek ik/alle zachte plekken/met weerbaar rubber/waar de politie/met een knuppel/op kan slaan’. Het verleden is nooit voorbij, er is altijd weer dreiging: ‘het was er toen/het is er weer’. Misschien komt het gevaar dit keer van moslims: ‘nu mogen we/de moslims helpen/we weten van hun jodenhaat/is er nu een groter kwaad.’ Haar gedichten zijn ook op te vatten als een waarschuwing. Dat zij hier op moslims wijst is gedurfd.

Buiten de tijd

Veel gedichten hebben betrekking op de levensfase waarin de dichter zich bevindt. Ze valt er met het openingsgedicht Slijtage meteen mee in huis: ‘Er is/een scherfje/van me af/ja en kreukels/en hier/en daar een barst.’ Ze schrijft er vaak op ironische toon over en wil zich niet bij haar ouderdom neerleggen: ‘ik zie mijn bloedrood/gelakte nagels/en zeg tegen mijn lief/met mijn oudevrouwenstem/wij moeten/altijd/strijdbaar feministisch/blijven. De ironie maakt de ernst dragelijk, een bekend procedé in de poëzie.

Toch klinkt het af en toe klagerig. Ze voelt zich niet thuis in deze tijd. In het gedicht ‘Poëzie en computer’ gaat ze in op de tegenstelling tussen het verhevene en het banale. Op zich een prima thema, maar ze doet dit op een oubollige wijze: ‘Nou goed ik heb een bestand/of hoe heet het, map, geopend/nu moet er ook iets in/ik weet wat niet, dat wel/niets prozaïsch en vooral/geen oeverloze lange zin.’ Hier is een oudere dame aan het woord, die met haar digibetisme koketteert. Het is natuurlijk opnieuw (zelf)ironie, maar een die enkel appelleert aan een (oudere) bevolkingsgroep. Het gaat in Wijnbergs gedichten niet om vervreemding maar om herkenning. Ergert u zich ook zo aan sociale media, aan voetbalprogramma’s of aan het kappen van bomen?

Tegelwijsheid

Stilistisch is de bundel niet echt opzienbarend. ‘Ik hoor de stad/ ademen of snurken/soms schreeuwt zij/of hoest’, ‘zelfs de depressie is op vakantie’. Het wemelt van dit soort flauwe personificaties, soms twee dezelfde achter elkaar: in Artsbezoek lezen we: ‘Het spreekuur/ heeft constipatie’ en in het volgende gedicht: ‘ook onze wegen hebben constipatie’.  Wijnberg bedient zich vaak van de retorische vraag om de boodschap erin te hameren: ‘Hoe kan een mens/zo haten/dat ze zelfs hun kind/hun huis, hun lief, hun alles/ bloem en boom verraden’; ‘is de haat besmettelijk/en de kanker/van een zwak verstand’ (Liefdeloos). Alles is opgeschreven in eenzelfde dreun: ‘Het is te warm/voor/helder denken/veel te heet/voor politiek’ […] ‘ik wil/ gezondheid/zonder grenzen/en een wereld/ min verdriet.’ (Puf warm). Het kan zo op een tegeltje.

Troost wordt geput uit de natuur. Het motto is van Leo Vroman: ‘Zo lang er gras bestaat/o wee is het nog niet te laat?’ De gras-metafoor komt diverse malen terug, zoals in het gedicht,

Hoop

‘Groei maar gras
groei over alle haat
en wanhoop heen
bedek hun zieke
dode lijven

groei maar gras
en laat de kinderen
de wonderen vinden
de mierenbergen
en de wortels en hoe
het in den beginne was.’

In Wijnbergs gedichten is het zeker niet alleen maar kommer en kwel. Het ontbreken hoor je niet is een bundel voor wie graag leest waar het op staat en van een lach en een traan houdt.

 

Omslag Het ontbreken hoor je niet - Chawwa Wijnberg
Het ontbreken hoor je niet
Chawwa Wijnberg
Verschenen bij: Knipscheer (2019)
ISBN: 9789062657629
64 pagina's
Prijs: € 16,50

Meer van Mathijs van den Berg:

Recent

12 december 2019

Krijg de tering met je privatisering *

Over 'De grote verkilling' van Geert van Istendael
11 december 2019

De dromende dichter

Over 'In het ene oog de maan, in het andere de zon' van Paul Éluard
9 december 2019

Een ode aan de cyclus van het leven

Over 'Levenslust' van Joke van Leeuwen
5 december 2019

Duistere kanten van het menselijk bestaan

Over 'Een oude geschiedenis' van Jonathan Littell
4 december 2019

De donkerte onder het genot

Over 'Zwarte schuur' van Oek de Jong