Caro Van Thuyne – Lijn van wee en wens

Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

Recensie door Ben Koops

Een landschap van pijn, dat is waar de ‘weewandelaar’ doorheen moet in Lijn van wee en wens van Caro van Thuyne. Een intens verhaal over de lange reis naar het hart van het landschap via de diepe zwarte tunnel die rouw heet. Mari gaat op in het landschap waar ze door wandelt en leest onderweg haar kopie van de landschapsgedichten van Richard Skelton stuk. Ze probeert voorbij de taal te communiceren met haar omgeving en haar verdriet. Ze vertelt in  een eigenzinnige taal die beweegt op het ritme en de muzikaliteit van poëzie. 

Het verhaal komt in beweging als hoofdpersoon Mari dit ook doet. Na acht jaar allesoverheersende rouw over de dood van haar zusje neemt ze een besluit. Ze wil al wandelend de loop van de rivier de Rin volgen. Haar man Felix blijft thuis. Onderweg schrijft ze Felix over haar vorderingen en belevenissen. Hierbij beweegt het verhaal zich tussen het verleden, de indrukken van de wandelingen en de stem van Felix. Gaandeweg leren we meer over haar zusje, Tully. Zij kwam met het syndroom van Warfarine ter wereld en Mari heeft haar als wettelijke voogd verzorgd. In het begin van het boek wordt de rouw vertolkt door een olifant die pontificaal in de kamer staat. Mari kan er niet omheen, dus geeft ze het beest een naam en probeert ze haar leven in te richten om deze figuurlijke olifant heen. Dit doet denken aan de roman van Max Porter, Rouw is een ding met veren, waarin de rouw de vorm aanneemt van een raaf. 

Voorbij de taal

Op haar wandelingen wordt Mari omringd door landschappelijke schoonheid. Het tegenwicht wordt gevormd door de constante herinnering aan het gemis. Mari ‘volgt haar olifant’, ondertussen hele passages uit het boek van Skelton citerend en vertalend. De buitenruimte en het landschap zijn voor haar tekenen en worden een veruitwendiging van verdriet, een ‘landschap van littekens’. Ze vindt haar eigen ritme in het wandelen, een therapeutische handeling waarin Mari het ‘loskomen van de tijd’ ervaart. Dat doet ze voornamelijk om haar hoofd leeg te maken en weer ruimte van binnen te krijgen.
Van Thuyne schrijft op zinnelijke wijze en maakt inventief gebruik van de taal. Op schilderachtige wijze komen landschappen tot leven: ‘De winterse boomskeletten en hoe ze soms lijken op stakerige oude vrouwen die steun zoeken bij mekaar.’ In haar taalgebruik is het persoonlijke direct verweven met de natuur. Ze geeft een stem aan haar verbijstering door te zoeken naar wat voorbij de taal ligt. Dat is het zintuiglijke, ‘het zwijgende zelf van voor de taal’ dat één probeert te worden met het landschap.

Voor Mari zijn woorden meer een vorm van echolocatie, ze wil liever in de puur zintuiglijke waarneming ‘het wilde zijn’ ontmoeten. Die ontmoeting is lijfelijk en vindt voornamelijk plaats door te wandelen, maar ook door alles aan te raken, van konijnenoren tot oude kleuterlaarsjes. In de woorden van Skelton: ‘It strikes me that the only way to know this place is touch. To place myself inside it’. Het presymbolische, het aftasten en zoeken wat Mari met haar doofstomme zusje deed, komt terug in het zoeken naar herkenning in het landschap. En in de regels van Skelton, waar ze constant mee in dialoog is: ‘Zijn woorden bezweren zowel Skelton zelf als mij, zijn landschap en het mijne, zijn verlies en het mijne’. Voor het verlies zelf zijn echter geen woorden: ‘Ik zal nooit de mooiste, juiste woorden vinden om te vertellen over Tully.’ 

Muziek van het landschap

Van Thuyne maakt gebruik van de stemmen van het land, de zee, de lucht, de vogels. Alles loopt door elkaar heen in een poging om het vergeten te stelpen. Hierbij lijkt ze grotendeels door Skelton geïnspireerd te zijn, die op vergelijkbare wijze met het landschap werkt bij het maken van zijn poëzie en muziek, door te harmoniëren met de muziek van het landschap. De natuur is ook niet altijd een vriend. De zee dreigt Mari soms mee te sleuren en de wind tekent haar gelaat. Om dit letterlijk uit te drukken laat ze drie tatoeages zetten als verbeelding van haar man en haar zusje. Tot een punt van intuïtief begrijpen lijkt ze te komen als ze zich afvraagt welke taal ze nog heeft en ze door het wandelen tot een soort zuivere aanwezigheid wordt. En ze lijkt te ‘aanvaarden dat de diepste ervaringen de taal ver voorbijsteken’. De stilte van de dood is zo absoluut dat woorden machteloos worden. ‘De nacht geeft nooit terug’, het is de onomkeerbaarheid van de dood die zo moeilijk te accepteren is. 

Zo trekt Mari verder, ‘zichzelf overleverend aan het landschap’, onderweg naar de zee. Stoppend voor onderdak bij boerderijen en het gesprek aangaand met wie ze tegenkomt. Uiteindelijk strijkt ze neer in een huisje aan het strand. De zee is een baken en een oerfiguur voor haar, een plek waar de cirkel rond wordt. Want nadat ze door weer en wind heeft getrokken voltrekt zich in de zee een metamorfose, waarna ze haar verdriet achter kan laten. Dan komt Felix, en er lijkt weer ruimte te zijn voor hun liefde. ‘Jullie zijn weer lijven van vlees en bloed. En lijven van vlees en bloed die weer kunnen voelen,’ schrijft Van Thuyne.

Olifantenpaadjes

De Lijn van wee en wens is de lijn die Mari door het landschap trekt, die kruist met de weeën van verdriet waarna wandelaar en landschap in elkaar opgaan. Mari wordt alleen nog maar voeten en ogen en haar verbeelding neemt hoge vluchten. ‘Het vlammig begloeien van de lucht voelen zinderen, het capriolen van de kieviten rakelings boven de natte weilanden voelen suizen door mijn spieren, hun balts-gejuich voelen weerkaatsen, de sensuele synchrone choreografieën van de futen in mijn eigen leden voelen, het koppen van het zwartblauwe water in mijn botten’. Om vatbaar te worden voor dit wonder zou je een eigen taal moeten bedenken en op sommige plekken lijkt Van Thuyne dit ook te doen, de rivier die ‘babbelbrabbelborrelkabbelt’ bijvoorbeeld. De taal is evengoed een element.

In de verantwoording gebruikt Van Thuyne wederom de metafoor van de olifant, de olifant die perfect onthoudt waar de drenkplaats is en waar het gevaar is. De olifantenpaadjes moeten soms letterlijk gebaand worden door de wildernis en worden in het brein opgeslagen. Door die wegen te gaan vindt Mari weerklank in het landschap. Dit maakt Lijn van wee en wens tot een intens aards verhaal dat op plekken schuurt maar door Van Thuyne’s taalgebruik van een woeste schoonheid is.  Het heeft een universeel thema en de duistere onderstroom bruist van het leven en viert de lijfelijkheid. 

 

 

Omslag Lijn van wee en wens - Caro Van Thuyne
Lijn van wee en wens
Caro Van Thuyne
Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
ISBN: 9789083048093
160 pagina's
Prijs: € 19,50

Meer van Ben Koops:

Verwant