11 augustus 2010

Recensie: Asta?s ogen – Eveline Stoel

Recensie door: Rein Swart

Een biografie van de gemene deler

Hoewel de ondertitel ‘De levenskracht van een Indische familie’ luidt, gaat dit boek vooral over de levenservaringen van Asta Hoyer (1917-2002), dochter van een rijke blanke en een arme Indo-Europese vrouw. Ze groeit op als Indo meisje in Nederlands Indië, trouwt met de vrolijke maar losbandige George, vormt samen met hem een groot gezin, vertrekt na diens dood naar Nederland, groeit uit tot een matrone – of matriarch zoals de schrijfster dat noemt –  met een grote kinderschare en overleeft uiteindelijk drie echtgenoten. Asta is een sterk meisje met een doordringende blik in haar diepzwarte ogen, die elke man weten te biologeren, schrijft Eveline Stoel, die zelf nooit met haar heeft gesproken. Ze kwam in de familie als een vriendinnetje van een kleindochter en baarde later een achterkleinkind Hoyer. Er is dus sprake van een persoonlijke band met de familie.

Behalve van Asta en haar gezin wil Eveline Stoel ook een beeld schetsen van de Indische Nederlanders die in de jaren vijftig massaal naar Nederland kwamen. De aankomst van de Hoyers is een van de meest beeldende hoofdstukken in het boek met het benauwde pension in Oss waar het gezin gehuisvest wordt, de kouwelijke oma Troel die bij de kachel zit, de kille Hollandse sfeer en de Juliana – of Wilhelminasoep die de pensionhoudster hen voorzet en die zij meteen door de gootsteen spoelen.

De Indo’s werden tijdens de Japanse bezetting niet geïnterneerd zoals de Europeanen, maar stonden als zogenaamde buitenkampers tamelijk geïsoleerd in de maatschappij. Na de capitulatie van Japan maakte men de Bersiap mee: tijdens een machtsvacuum pleegden nationalisten veel gewelddadigheden tegen de oude bezetter. Uiteindelijk zat er voor de Indische Nederlanders weinig anders op dan naar het vaderland te vluchten.

De Indische bevolking is hier snel geassimileerd. Ook Asta was gedecideerd in haar opvattingen over de ingroei in de maatschappij. Ze vond dat haar kinderen zich zo geruisloos mogelijk moesten inpassen en ze verbood hen om Maleis te spreken.

Volgens Ernst Jansz had de schijnbaar rimpelloze integratie ook een keerzijde, namelijk een verlies van identiteit, maar Asta en haar gezin kunnen volgens de schrijfster als voorbeeld dienen voor huidige nieuwkomers.

Eveline Stoel probeert een verhaal uit één stuk te schrijven. Het nadeel van deze werkwijze is dat het soms teveel een platte familiegeschiedenis wordt, waarbij het erom gaat hoe de kinderen terecht zijn gekomen. Door een hoog tante-gehalte wordt de biografie opsommerig en mist ze diepgang. Stoel probeert aan het eind van een hoofdstuk spanning op te wekken door alvast vooruit te lopen op moeilijkheden, bijvoorbeeld die George ondervindt tijdens werkzaamheden op de Nederlandse suikerplantage in Pandji, waar Asta met de jongere kinderen naar toe verhuisde terwijl de oudsten in Soerabaja bleven.

De laatste twee huwelijken van Asta waren niet bijster interessant en leverden acceptatie-problemen op bij de kinderen. Over haar uitstapjes met haar derde man Jan vermeldt Eveline Stoel het volgende: ‘Stad en land struinden ze af op zoek naar een blauwe jas die Jan graag wilde hebben. Zo helder als het uniform van de conducteurs van de Nederlandse Spoorwegen moest het kledingstuk zijn en ze vonden het nog ook.’

Af en toe klinken de vraaggesprekken die Eveline Stoel hield met de kinderen van Asta door de tekst heen, zoals tijdens bombardementen in de schuilkelder. ‘”Stil, stil,stil!” zeiden de volwassenen dan tegen de aanwezige kinderen. Klein als ze waren, lazen ze de angst in de ogen van de ouders.’

Tegen het eind komt Geen gewoon Indisch meisje van Marion Bloem ter sprake. Dochter Shelley herkent zich in de hoofdpersoon, maar vindt geen gehoor bij haar oudere zussen. De zes jaar jongere Debbie, in Nederland geboren uit het huwelijk met de tweede man van Asta, heeft aan de andere kant geen affiniteit met Indië.

Tijdens het lezen moest ik af en toe denken aan Het zwijgen van Maria Zachea. Judith Koeleman ondernam een vergelijkbare exercitie door een eveneens zwijgzame Zaanse matrone te portretten op basis van interviews met haar kinderen. Het was misschien interessanter geweest om ook in Asta’s ogen de kinderen zelf aan het woord te laten, waardoor ze een eigen stem zouden krijgen. Buddy bijvoorbeeld werd in Nederland zeeman uit schuldgevoel over de moord op zijn vader, toen die speciaal naar Soerabaja kwam om diens verjaardag te vieren. Buddy vond dat hij na zijn schooltijd niet zijn eigen weg kon gaan, maar geld in het laatje moest brengen. Door de verschillen tussen de kinderen te laten zien zou ongetwijfeld een kleurrijker boek ontstaan zijn.

Asta’s ogen

Auteur: Eveline Stoel
Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar
Prijs: € 19,90

Recensie: Asta?s ogen
Eveline Stoel
ISBN: 9789038893235

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant