Antonio Scurati – M.

Mussolini greep macht via hypnotische toverij

Recensie door Adri Altink

Het is 1919, de Eerste Wereldoorlog is net afgelopen. Italië speelde daarin een complexe rol. Het vormde aanvankelijk een alliantie met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, maar koos in 1915 de kant van de gealliëerden. Het land zou dus uiteindelijk gerekend kunnen worden tot de overwinnaars, maar dat werd door de Italianen niet zo gevoeld. Er waren honderdduizenden op een gruwelijke manier gesneuveld in de gevechten in de Alpen en nog meer keerden verminkt terug zonder dat Italië er iets mee was opgeschoten. Daar kwam bij dat Fiume (het huidige Rijeka) dat een overwegend Italiaanse bevolking had bij het Verdrag van Parijs niet aan Italië werd toegewezen, maar aan Joegoslavië. Voor de strijders uit de oorlog voelde het niet minder dan een vernedering, een gevoel dat een uitweg zocht waarop het fascisme kon opbloeien. Op dat punt begint de omvangrijke roman M. De zoon van de eeuw van Antonio Scurati.

De zoon van de eeuw is inderdaad een roman. Toch benadrukt Scurati in interviews dat gebeurtenissen en zelfs dialogen niet verzonnen zijn. Scurati’s interpretaties en weergave van de dynamiek ervan zijn natuurlijk wel zijn dichterlijke invullingen. Dat de roman zich beweegt op die grens van feit en fictie is herkenbaar in de structuur van het boek. Het verhaal wordt in chronologische volgorde verteld. De hoofdstukken hebben steeds een datum (als de macht eenmaal is gegrepen worden dat teksttitels) en ze worden steeds afgewisseld met letterlijke teksten in afwijkend lettertype uit brieven, verklaringen, redevoeringen, krantenberichten, dagboeken enzovoort, die door Scurati zijn geraadpleegd. Scurati verplaatste zich vijf jaar lang onafgebroken in het hoofd van Mussolini (de fascistenleider en de M uit de titel) en in de sfeer van de tijd. Zozeer dat hij zich na de voltooiing van deze roman, de eerste van wat een trilogie moet worden, zo labiel voelde dat hij de hulp van artsen nodig had om weer zijn evenwicht te vinden in zijn eigen dagelijkse bestaan. Dit eerste deel bestrijkt de periode van 1919, het jaar van de oprichting van de fascistische beweging, tot en met 1924, als Mussolini al enkele jaren premier is en zich ontpopt tot dictator.

Metaforen

Het is fascinerend en angstaanjagend om te zien hoe een aanvankelijk onbetekende beweging in zes jaar kon uitgroeien tot een dictatoriale macht. Angstaanjagend omdat je als lezer voortdurend parallellen voelt met bepaalde vormen van opkomend populisme in onze dagen.

Als Mussolini in 1919 zijn Fasci di Combattimento opricht, een beweging van knokploegen die wordt gevormd door verbitterde oorlogsveteranen, stelt die nauwelijks iets voor. Bij de eerste verkiezingen in november 1919 behaalt ze als partij niet één zetel. Maar het land is een politieke warboel van fascisten, die het gepraat zat zijn en liever knuppelend rondgaan, socialisten, die proberen de Russische revolutie van 1917 naar Italië over te planten, anarchisten, communisten, liberalen, katholieken en radicalen.
Mussolini is de formele leider van de Fasci, maar de schrijver Gabriele d’Annunzio, ‘Il Commandante’, doet in de eerste jaren het meest van zich spreken. Waar Mussolini afwachtend is, maar gespitst op situaties die hij kan gebruiken, gaat d’Annunzio de straat op. Hij weet de lagere bevolking op te zwepen tegen de lijdzaamheid van de elite. Hij is als literator ook de man van de metaforen: ‘de verminkte overwinning’ voor de afloop van de oorlog, Fiume als ‘de stad van het offer’ en later, als d’Annunzio deze stad eigenhandig met zijn mannen annexeert, ‘de wraakgodin’.
Scurati kleurt de twee mannen bloemrijk in: hun houding, hun kleding, hun onbeschoftheid en bovenal hun rauwe taal, zoals ‘pisglazen van vlees’ voor de vrouwen op wie ze naar willekeur hun lusten botvieren.

Passie

Op de eerste landelijke vergadering van de fascisten komen amper honderd man af die niettemin het ‘Leve onze Duce! Voor Benito Mussolini eja, eja, eja, alalà’ inzetten als geloof in de toekomst. In de vele bijeenkomsten die volgen ontspint zich een richtingenstrijd. Moeten we de politieke orde van binnenuit om zeep helpen of willen we een buitenparlementaire beweging zijn? Dat pleit wordt door de sluw laverende Duce beslecht. Het wordt moeizaam de parlementaire route, maar de fascistische knokploegen blijven moordend door de straten trekken zonder dat Mussolini ze een strobreed in de weg legt.

Wie zijn hun aanhangers? ‘De nieuwe fascisten zijn allemaal mensen die tot gisteren beefden van angst voor de socialistische revolutie, mensen die leefden op angst, angst aten, angst dronken, met angst naar bed gingen (…) Nu wordt op de bedelaarsbeurs het zware metaal van de benauwdheid ingewisseld voor de gewaardeerde valuta van dodelijke haat’, schrijft Scurati in de gedachtegang van zijn protagonist. En even later: ‘Het fascisme is geen kerk, het is een sportschool, het is geen partij, het is een beweging, het is geen programma, het is een passie. Het is de nieuwe kracht’.

Dubbele gedachte

Mussolini krijgt het uiteindelijk voor elkaar om als partij aan nieuwe verkiezingen mee te doen. Met succes. De fascisten zijn in 1921 verhoudingsgewijs de grote winnaars. Maar ook de Duce heeft geen programma. Hij is een sluwe tacticus die zijn kansen ruikt en ze waar mogelijk bewust zelf schept. Hij creëert wanorde om te laten zien dat hij de enige is die de chaos die hij zelf oproept kan beteugelen. Met de ene hand ontketent hij het geweld van zijn knokploegen en met de andere toomt hij ze in. Scurati: ‘Er komt een hypnotische toverij bij kijken waardoor je iets kunt doen en ontdoen, iets beweren en het tegendeel ervan, je bewust overtuigen van de waarachtigheid van iets en onbewust weten dat het onwaar is, vooral moet je kunnen vergeten en vergeten dat je hebt vergeten. Er is kortom een dubbele gedachte nodig. Zo blijf je altijd op het rechte spoor.’
Het is de beangstigende parallel die veel lezers bij dit soort zinnen zullen herkennen met in onze tijd de populisten en dictators die verwarring zaaien, chaos scheppen en feiten voorstellen als niet meer dan verwerpelijke meningen. En de daarop volgende dringende vraag hoe deze ontwikkelingen te keren.

Wachten als strategie

Niemand blijkt bij machte Mussolini tegen te houden. De situatie in het land werkt er niet aan mee. Italië verkeert in 1922 in de tot dan toe langste parlementaire crisis. Niemand gelooft nog dat het geweld van het fascisme als politievraagstuk is op te lossen en er gaan stemmen op om de aanhangers juist regeringsverantwoordelijkheid te geven. Ook dat weet Mussolini uit te buiten. Hij wordt inderdaad premier. Zelfs als hij dreigt politiek te worden afgestraft voor de moord op de socialist Giacomo Matteotti in 1924 (Mussolini zou die hebben uitgelokt), weet hij zich daar uit te manoeuvreren en zijn macht te versterken tot een dictatorschap. Zijn macht berust op willekeur, geraffineerd opportunisme (‘Mussolini’s strategie is altijd dezelfde: wacht, wacht en wacht…’) en wellust. Dat laatste verbeeldt Scurati prachtig als de Duce, die zich graag voortbeweegt in sportauto’s en in een door hem zelf bestuurd vliegtuig, in de zomer van 1922 als zijn succes nog moet komen, vanuit de hoogte het land overziet: ‘Italië is echt een fantastisch land: in achtenveertig uur knuppelen is bereikt wat in een eeuw van strijd niet is gelukt: de socialisten zijn gebroken. Kijk daar die mensen beneden, die kranten, die socialistische organisaties die zich tot gisteren vertakten over de vlakten, de kusten, de bergruggen van dit geweldige land. Kijk ze nu toch… niet één gebaar, niet één kreet, ze durven niet eens adem te halen.’

Beklemmend

Het is verleidelijk om als één van de tekortkomingen van de roman te zien dat we zo weing lezen over hoe de gevestigde orde denkt over de aanpak van het fascisme. Evenmin komen we iets te weten over de aanhang van Mussolini onder het volk. Er worden alleen medestanders opgevoerd uit de directe coterie van de Duce en kopstukken van andere partijen. Toch is dat misschien een onterecht verwijt. We zien immers alles vanuit de optiek van Mussolini zelf. Hij luisterde niet naar argumenten en zorgen van zijn tegenstanders en het gewone volk interesseerde hem waarschijnlijk alleen voorzover hij er gebruik van kon maken. Het past daarom in het uitgangspunt van Scurati die schrijft vanuit het hoofd van de protagonist.

In een ander opzicht vraagt de roman veel concentratie van de lezer en een lange adem. Die wordt overstelpt met namen van fascisten en andere politici, gekrakeel binnen allerlei stedelijke afdelingen van de beweging en gevechten over uiteenlopende politieke richtingen in het land. Scurati komt de lezer deels tegemoet door achterin twaalf pagina’s op te nemen met biografietjes van de belangrijkste personages. Een verdere tegemoetkoming aan de lezer zou hebben kunnen zijn om daaraan paginaverwijzingen toe te voegen.

Wie zich echter door het oerwoud van namen laat afschrikken laat zich veel ontnemen. M. De zoon van de eeuw ontvouwt niet alleen een beklemmende geschiedenis maar doet dat ook nog eens begeesterd, beeldrijk en in smeuïg proza. Hulde ook aan de vertaler Jan van der Haar die dit alles in soepel Nederlands heeft omgezet.

 

Omslag M. - Antonio Scurati
M.
Antonio Scurati
Vertaling door: Jan van der Haar
De zoon van de eeuw
Verschenen bij: Uitgeverij Podium
ISBN: 9789057599972
851 pagina's
Prijs: € 35,00

Meer van Adri Altink:

Recent

28 september 2020

Fraai beschreven schoolgeluk

Over 'De gelukkigste klas' van Jack de Boer
24 september 2020

Verlangen naar verandering

Over 'Jouw zwaartekracht mijn veer' van Tom Van de Voorde
22 september 2020

De vreemdeling in huis

Over 'De vader van Artenio' van Frida Vogels
21 september 2020

Uitzicht op een huis met tuin

Over 'Lentetuin' van Tomoka Shibasaki
18 september 2020

Zelfspot in menselijk onvermogen

Over 'Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben' van Kjersti Annesdatter Skomsvold

Verwant