Anton Korteweg – Enfin

Gecontroleerde melancholie met comfortabele pasvorm

Recensie door Albert Hogeweij

De  bundel  Enfin verscheen ter opluistering van het vijftigjarig jubileum van Anton Korteweg (1944) als publicerend dichter en bevat vijftig gedichten. Niks geen Romantic Agony (1971), was de titel van zijn poëziedebuut, waarin met enige distantie en in ironische stijl gevoelens worden beschreven, met vaak verouderde, poëtische clichés. Met verwijzingen naar de oude dichters die in goed lopende regels uitgespeeld worden tegen de weinig verheven gang van alledaagse gebeurtenissen. Alles met een knipoog uiteraard. Op dit soort poëzie paste het etiket van ‘nieuwe romantiek’ met soortgenoten als Gerrit Komrij en Lévi Weemoedt. Maar ondanks zijn toespelingen op andermans werk, bezit Korteweg wel degelijk een herkenbare eigen stijl. Een stijl waarin hij bij voorkeur sluipenderwijs, en anekdotisch in parlando, met een soms archaïsche schijnbeweging, zijn doel treft.

In zijn met regelmaat verschenen bundels uit de afgelopen halve eeuw heeft Korteweg zijn neoromantische veren niet afgeschud. Deze bleken uitermate geschikt om zijn – met het vorderen van de leeftijd toegenomen – ongemakken voor het voetlicht te brengen. In Enfin lijkt de tekening van alledaags ongerief even op de vleugels van onder meer Nijhoff, Bloem of Gorter mee te liften om uiteindelijk niet echt van de grond te komen. Maar in plaats van ontnuchterd en gedesillusioneerd achter te blijven, koestert Korteweg zijn gecontroleerde versie van melancholie.

Man zonder problemen

De werkelijkheid is zelden zo prozaïsch of er valt nog wel een gedicht van te maken. In ‘Een ding van schoonheid maakt je blij. Voor even’, de titel van de tweede afdeling, wordt Keats’ onvergankelijke regel ‘a thing of beauty is a joy forever’ de maat genomen. Korteweg basht met plezier zo’n verouderd romantisch ideaal. We leven in een onvolmaakte wereld maar zijn er niet minder tevreden om. Nergens wekt Korteweg de indruk dat hij liever met een jong gestorven romantische dichter had willen ruilen. Misschien is het meer een soort ‘guilty pleasure’ van eens niet gebukt te gaan onder die armzalige, tekortschietende alledaagsheid. Korteweg komt er eerlijk voor uit dat hij een man zonder veel problemen is, ‘doorgaans welgemoed’. Iemand die zijn zegeningen telt als hij in een gedicht de kleine dissonanten in het leven in passende woorden heeft ‘kaltgestellt’. 

Soms op het zelfgenoegzame af. Enige koketterie met oudemannenkwalen als ‘twee brillen, gehoormachientjes’ en stramme ledematen is hem niet vreemd. Toch komt men ook te weten dat hij nog aardig wat aftrapt op zijn fiets. Behalve zijn conditie houdt hij hiermee ook zijn poëzieproductie op peil, want vielen  hem niet met het ritme van de pedalen zijn versregels in? Enfin, alles misschien een tandje lager nu, maar het hoeft ook niet veel te zijn. Zijn achternaam getrouw zoekt hij het niet in het verre en weidse, maar in wat voorhanden is. Met  huis-tuin-en-keuken tips en wijsheden als een koe houdt hij zich op de been getuige gedichtentitels als: ‘Bij het in de herfst om de twee weken op donderdag aan de straat zetten van onze vuilnisbak’; ‘Over wat ik beter hoor met een apparaatje achter ieder oor’; ‘Over het geduw van Verleden de ene kant op en van Toekomst de andere’ en ‘Hoe je je laatste levensjaren als het een beetje meezit nog heel aardig door kunt komen’.

Fijne pen

Soms krijgt de lezer wat meligheid te verstouwen en mijmert Korteweg over een gehoorapparaat met een ‘filter ingebouwd (…) dat lulkoek tegenhoudt.’ Of zoals in het gedicht ‘Brasserie Streek’, de indruk wordt gewekt dat hij er zijn genoten maaltijd heeft mogen afrekenen met een stante pede geschreven vers.  ‘Het dagmenu is duif vooraf, dan hert of kabeljauw; / in Streek te Culemborg doen ze niet flauw. / Gekrijt op een zwart bord geven twee glazen wijn / te kennen liever vol dan leeg te zijn.’ Maar dat zijn gelukkig uitzonderingen. Over het algemeen weet zijn fijne pen uit het niets haast, nog steeds de juiste woorden te vinden: ‘komt een keurige dame, / fijn mens, top bereikt,/ toch eenvoudig gebleven, / op me afgestapt.’ Met weinig wordt een vrouw toch optimaal verbeeld.

Behalve dat de vier afdelingen van Enfin voorafgegaan worden door een strofe of gedicht van respectievelijk Minne, Bloem, Paaltjes en Sontrop kent deze bundel ook toespelingen op onder andere De Schrift, Kloos en Kopland. Daarnaast ook wat verzen die geënt zijn op beeldende kunst, waarvan enkele zwart/wit afbeeldingen zijn opgenomen. Echter, het meest gewaagde – want #metoo-angehauchte – schilderij dat Korteweg ter sprake brengt, Thérèse Dreaming van Balthus, waarin de dichter zich vereenzelvigt met de man ‘die genadeloos bij haar naar binnen kijkt’ moet het zonder plaatje doen. 

Het zit ‘m in de bijvangst

Het rake wat deze gedichten te bieden hebben, bieden ze meestal terloops aan, als bijvangst in plaats van uitsmijter. Zoals in het gedicht ‘De sliert der geslagenen’, waarin Korteweg in de trein bedenkt dat een zijn treinstel betredende medereiziger met hazewindhond, beter af zou zijn met een vrouw in plaats van met een viervoeter, want: 

Zit het mee, merk je op den duur
niet eens dat ze niet in huis is
als ze niet thuis is. Het huis
voelt dan even lekker warm aan.
Met een hond krijg je dat niet gedaan.

De bundel sluit waardig af met een zonder meer naar metafysische troost hakende gedicht dat de beroemde slotregels uit het gedicht Herbst van Rilke als motto draagt: ‘Und doch ist einer welcher dieses Fallen / unendlich sanft in seinen Händen hält’.

Zeef ‘De Tijd’

We tuimelen uit een ritmisch heen-en-weer
-met vaste hand of losse pols, dat maakt niet uit –
geschudde zeef in iets wat er niet is
en wat ons dus niet stuit. Als je dat al zou willen,
klauter je bij gebrek aan houvast daar niet uit.

Wie dit vooruitzicht al te zeer benauwt:
er is er een, zegt Rilke, die ons vallen
oneindig teder in zijn handen houdt.

Dit neo-romantische gedicht toont de gespletenheid tussen de alledaagse werkelijkheid en de verheven versie van de Grote Dichters van Weleer. Niettemin biedt het troost voor wie er troost in ziet. Elf ‘kwaaltjes’ mankeren naar eigen zeggen deze dichter. Al met al kunnen de gedichten uit Enfin er, net als hun geestelijke vader, nog aardig mee door.

 

 

Omslag Enfin - Anton Korteweg
Enfin
Anton Korteweg
Verschenen bij: Meulenhoff (2021)
ISBN: 9789029094818
88 pagina's

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

27 september 2022

Het verleden blijft actueel

Over 'Dunkelblum zwijgt' van Eva Menasse
26 september 2022

Doelloos

Over 'Rusteloos' van Casper Luckerhof
23 september 2022

Naar een ultieme staat van verlichting

Over 'De man die een berg werd' van Grete Simkuté
22 september 2022

Droom, dood en mooie benen

Over 'Het blauwe uur' van Alexander Lernet-Holenia
21 september 2022

Van droomfabriek naar nachtmerrie

Over 'De droomfabriek' van Gerwin van der Werf

Verwant