Anneke Brassinga – Verborgen tuinen

Luisterrijk benoemen van het raadsel

Recensie door Mathijs van den Berg

Een nieuwe bundel van Anneke Brassinga is op voorhand een belevenis. Vijf jaar na Het wederkerige (2014), een tijdspanne waarin ze twee essaybundels publiceerde – Grondstoffen, (2015) en Hapschaar, (2018) – verscheen haar elfde dichtbundel, Verborgen tuinen. Wat een sfeervolle en raadselachtige titel is. Tuinen zijn werelden op zich vol zintuiglijke sensaties en hier gaat het ook nog eens om verborgen tuinen: een mooi beeld waarin de fascinatie van de dichter voor de natuur is vervat en haar voorkeur voor het raadselachtige. De vraag die Brassinga zich voortdurend stelt is hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. ‘Verborgen tuinen’ zijn ook de gedichten zelf, vanwege hun enigmatische karakter en bijna natuurlijke schoonheid.

Reeks en haiku’s

De bundel opent nogal onconventioneel met een reeks foto’s die Brassinga in Berlijn maakte en die ze becommentarieert met haiku’s. Dit levert mooie observaties en mijmeringen op met een symbolische lading. Bijvoorbeeld bij een foto van een met een naakte vrouw beschilderde schutting: ‘Mensen – door muren, / vanachter schuttingen – zij / herrijzen blijvend’. Door de gedichten worden het ook voor de lezer sterke ervaringen. Brassinga heeft oog voor het alledaagse en ziet in het lelijke het schone. Een reeks die vanwege de zintuiglijkheid goed aansluit bij de rest van de bundel.

Composities en muziek

Behalve over kijken gaat het in Brassinga’s poëzie ook over luisteren, over muziek. De kleuren van de bomen in het openingsgedicht van het tweede deel ‘De geheime tuin’ worden beschreven als geluiden: ‘Nog tweedgroen, discreet lispelend, staan ze pal achter Ting-Jie, / Miss Gingko, die rijk en sierlijk boven het gepeupel uit /gouden fanfare zou zijn als kleur klinken kon’. Taal die door de alliteraties ook zelf zingt. Later in de bundel zijn er rechtstreekse verwijzingen naar componisten als Bruckner en Rachmaninov, waarbij de muziek weer in verband wordt gebracht met de natuur. Cultuur en natuur blijken dan op gespannen voet met elkaar te staan:

‘Een olifant ontwaakt in het hiernamaals van ivoren toetsen –
slagtanden getemd maar welk ondier wil ooit leren
musiceren? En ook van nature fijnzinnig trillende rimboebomen
zijn omgehakt, als lijk, met hoogglans gelakt, diep in hun pit
tegen elke dressuur gekant’.

Vergankelijkheid

Brassinga benadrukt vaak het eeuwige en cyclische karakter van de natuur: ‘Het lijkt of ik u ken uit een vorig leven; / was het Tiergarten, toen we allemaal gekapt werden/ voor brandhout in die oorlogswinter,/ of Boeddha’s hertenpark?’ Maar hoe zit het dan met de mens? ‘Als iets geboren is, geleefd heeft/hoe kan het dan/ ooit nog ontsnappen aan de wereld/ en de hemel eromheen (..)?’ schrijft ze in ‘De geheime tuin’, een in memoriam waarvan er trouwens meerdere in de bundel voorkomen. Tegelijkertijd wordt de sterfelijkheid en nietigheid van de mens sterk ervaren. De tegenstelling tussen dood en terugkeer, vergankelijkheid en eeuwigheid, komt in de hele bundel terug.

Bespiegelingen

Waar de mens zich van de natuur onderscheidt is de verbeeldingskracht: ‘ (…) omdat de schepper / heeft vergeten de natuur lofprijzing in te geven / zitten wij ermee: hiertoe op aarde te zijn – als onnatuur / geschapen zijn voor de kunst.’ De mens is een schepper, hoewel dat scheppingsproces niet te beschrijven valt: ‘Scheppen hult zich in roes / van klaarte; geen mens die het navertellen kan.’ Het mooie is dat Brassinga’s poëzie geen antwoorden geeft. De dichter bespiegelt, bevraagt, twijfelt hardop. De lezer kan hier vervolgens zelf zijn of haar gedachten over laten gaan.

Door de melancholieke toon lijkt de poëzie aan de zware kant. ‘Wie kon weten dat een toekomst eerder sterft dan wij?’, vraagt de dichter zich bijvoorbeeld af in ‘Nostalgie’. Er is soms zelfs een romantische flirt met de dood. ‘Daarom, Heer, geef mij een gat in de grond’. Maar er is ook lichtheid en humor. ‘In een dorre woestijn kan een appelboomgaard heilig zijn – maar hier? Met maaltijdsnacks en volop/drinkyoghurt in de aanbieding, én een hulplijn/voor seksueel misbruikte voetballers van gevorderde leeftijd?’ Die tegenstelling tussen ernst en lichtvoetigheid zit ook in de vorm.

Experimentele vormen
De gedichten bevatten vaak archaïsche of ronduit onbegrijpelijke taal (‘verkorven’, ‘geprotuberanst’), statige neologismen (‘parelschommelende’, ‘geestvonkatoom’) en ingedikte regels vol inversies, waardoor de gedichten soms moeilijk te volgen zijn. Maar Brassinga gebruikt ook de dialoogvorm, klanknabootsingen, (‘oewaaah-argh’, het geluid van een ‘brullustige zeeleeuw’), of dialect (in het zeer geestige ‘Dûh Jögd’, over de jeugd van tegenwoordig).

Naast de soms onnavolgbare taal, vormen ook de vele literaire verwijzingen en citaten een uitdaging. Het is een sport op zich deze te plaatsen, waarvan de verwijzingen naar Brassinga’s grote held Leopold nog de makkelijkste zijn – zeker het overbekende ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, die natuurlijk vanwege de bomen niet mocht ontbreken. Aan het eind van de bundel staat een hele rij namen van dichters die in de bundel zijn terug te vinden, zoals Mallarmé, Gorter en Nijhoff. Dus lezer, op zoek!

Vertaalde gedichten

Net als in haar vorige bundels heeft Brassinga enkele vertalingen opgenomen: gedichten van Walt Whitman en van de moderne Tiroler dichter Oswald Egger die vanwege hun thematiek  – de relatie tussen mens en natuur – en natuurlyriek naadloos aansluiten op Brassinga’s eigen poëzie. De bundel sluit af met een ‘gedichtenduet’ met dichter-vertaler Piet Gerbrandy, door Brassinga in gang gezet naar aanleiding van Gerbrandy’s vertaling van Boëthius’ Troost in Filosofie. Gedichten die een behoorlijke kennis van de context en veel inlevingsvermogen vragen.

Bezielde taal

Maar vooral staan er in deze bundel weer prachtige gedichten, die opvallen door taal en bezieling. Muzikale gedichten van grote schoonheid. Dat je hiervoor niet per se moeilijke woorden, of doorwrochte regels hoeft te gebruiken, laat de dichter evenzo zien, zoals in ‘Restanten, relieken’, met een direct herkenbaar inzicht:

‘Hier was het en het is er niet meer toch?
Met hoe weinig kunnen we volstaan in dezen?
En is het dan concreet of huist het juist niet

In aanwijsbare tekens? Dat ene dorre blad
Is heengewaaid, en de dennenappel die precies
De plak markeerde – opgegeten? Voortgeschopt?’

Brassinga bouwt met Verborgen tuinen onverstoorbaar verder aan haar eigen universum en blijft onverminderd verwonderen en intrigeren. Dit zijn tuinen om nog lang in rond te dwalen.

 

Omslag Verborgen tuinen - Anneke Brassinga
Verborgen tuinen
Anneke Brassinga
Verschenen bij: Bezige Bij, De
ISBN: 9789403136301
116 pagina's
Prijs: € 19,99

Meer van Mathijs van den Berg:

Recent

19 september 2019

'Weg met de boeven en dieven aan de macht'

Over 'De toekomst die nooit kwam' van Marc Jansen
18 september 2019

Een spannende avonturenroman

Over 'De Dolfijn' van Mark Haddon
17 september 2019

De natuur in verweer

Over 'De grote angst in de bergen' van Charles-Ferdinand Ramuz
16 september 2019

Tussen overtuiging en onverschilligheid

Over 'Ontweten' van Menno van der Veen
11 september 2019

In wankel evenwicht tussen twee talen en twee ideologieën

Over 'De engel van het vergeten' van Maja Haderlap

Verwant