21 november 2016

Public relations en ontwikkelingshulp

Door Adri Altink

Deze maand is bij de VPRO de vierdelige serie De Trek te zien over de migratiestromen in Afrika. Voorafgaand aan de eerste aflevering stond in NRC Handelsblad van 5 november een artikel van Bram Vermeulen, de maker van de serie. Daarin trof me onder andere de volgende passage: ‘De deal tussen Afrika en Europa over het terugnemen van migranten berust op een belangrijk misverstand. Ontwikkelingshulp stopt migratie niet (…) Ontwikkelingshulp jaagt migratie aan. In het oosten van Senegal zag ik voor ieder dorp een woud aan borden van ontwikkelingsprojecten, gefinancierd door Europese donoren. (…) Senegal is een donor darling.

Niet de bewering op zich raakte me, maar het riep een herinnering bij me op aan De crisiskaravaan van Linda Polman, dat ik in 2008 las en dat me toen volkomen lam sloeg. Het schetst een gevecht van belangen die achter hulpverlening in crisisgebieden schuil gaat. In het derde hoofdstuk van het boek vertelt Polman over Murray Town Camp, een kamp in Sierra Leone dat tijdens de burgeroorlog in de jaren ’90 uitpuilde van geamputeerden; hun ledematen waren afgehakt door rebellen en soldaten. Het was een gangbare methode om tegenstanders uit te schakelen in deze gruwelijke oorlog die lang schimmig bleef voor de buitenlandse pers. Tot Murray Town Camp ontdekt werd. ‘Als pitbulls op een kleuterklas, storten journalisten uit de hele wereld zich op het verhaal van de geamputeerden’, schrijft Polman.

Kort daarna werd de grootste humanitaire hulpoperatie tot dan toe op touw gezet: ‘Ongeveer driehonderd INGO’s [International non-governmental organisations] repten zich naar het landje. Ook organisaties die niet speciaal voor de geamputeerden kwamen, gebruikten foto’s van de arm- en beenloze bewoners van Murray Town Camp in hun fondsenwervingscampagnes.’
Er ontstond een waar gevecht tussen concurrerende belangen. Aan de ene kant de geamputeerden, die zich splitsten in real amputees (slachtoffers van rebellen) en war wounded (mensen die om geneeskundige redenen waren geamputeerd na oorlogsverwondingen). De ‘echte’ vonden dat ze meer recht op geld hadden dan de ‘onechte’, want de donaties stroomden binnen dankzij de foto’s die van hén gemaakt waren.

Aan de andere kant een strijd tussen de INGO’s. Die present wilden zijn op de plek waar de meeste camera’s flitsten. Want je bord in beeld betekent dat je thuis weer giften op kunt halen voor je eigen organisatie. Je moet ter plekke zijn, of je nu adequaat hulp kunt verlenen of niet, omdat je gezien moet worden. En wat je met je verblijf daar investeert, moet ook weer worden terugverdiend. Ontmoedigend vond ik destijds vooral dat Murray Town Camp maar één van de vele voorbeelden is die Linda Polman geeft in haar boek. De ruim 200 pagina’s bevatten nog veel meer misstanden. Die beschreef ze acht jaar geleden.

Ontmoedigend is dan ook dat Bram Vermeulen in 2016 voor ieder dorp weer een woud aan borden ziet staan van Europese donoren. Opnieuw symbolisch voor een hulpindustrie die zijn public relations uitvecht over de ruggen van slachtoffers?

 

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer