In 1947, toen de hoop groeide dat na de oorlog alles beter zou worden, werd een aantal auteurs gevraagd om een bijdrage te leveren aan een nieuwe Omnibus voor de jeugd, omdat ‘kunstenaars weten wat de jeugd-van-nu nodig heeft om de wereld van morgen iets bewoonbaarder te maken dan hij heden is.’ Hella S. Haasse schreef het verhaal ‘Machiel en de griffioenen’, over een jongen die na de bevrijding een andere naam krijgt van zijn vader, omdat deze zijn werkgever verraadde aan de nazi’s, onderduikers aanbracht en zich verrijkte met de eigendommen van weggevoerde joden. Elke keer als Machiel zich vergist in zijn nieuwe naam, slaat zijn vader hem in het gezicht, tot alleen nog het verlangen hem kwelt ‘om zijn eigen naam, dat vertrouwde woord, nu door het verbod tot een oneindig gevreesd en geliefd begrip geworden, uit te schreeuwen, te fluisteren, te herhalen’. Als het gezin zijn intrek neemt in een groot herenhuis, gekocht met bloedgeld, ziet Machiel daar een wapenschild, vastgehouden door griffioenen, waarop staat: ‘In blaem en faem – eygen naem’. Dit geeft hem de kracht om op te staan tegen zijn vader en zijn naam terug te eisen.

Het deed me denken aan de noodzaak van pseudoniemen in de literatuur. Voor het verbergen van je eigen naam viel vroeger wel iets te zeggen. Misschien was je eigen naam niet voldoende betekenisvol, zoals die van Johanna Petronella Vrugt, die onder de naam Anna Blaman schreef. Of je was een vrouw in een maatschappij die schrijvende vrouwen als kermisattracties beschouwde, dan koos je een mannelijke naam om mee te kunnen doen: Curris Bell voor Charlotte Brontë, George Sand voor Amantine Dupin. Misschien kon je je hoofd niet meer hoog houden als je slechte recensies kreeg, of werd je op je werk niet meer voor vol aangezien, zoals Nescio vreesde, die eigenlijk Jan Grönloh heette, of wilde je je serieuze werk gescheiden houden van het meer frivole, zoals E. du Perron deed als Cesar Bombay. In bijna alle gevallen leek de keuze van een pseudoniem ingegeven te zijn door angst: voor kritiek, voor de reactie van de familie en de omgeving, voor je reputatie, voor stukgeslagen dromen.

In 1976 verscheen er nog een pseudoniemenboek van Wim Hazeu met meer dan tweeduizend schuilnamen van Nederlandstalige auteurs, maar de laatste tijd kom je het fenomeen  opvallend weinig meer tegen. Schrijvers van nu zijn met recht trots op hun werk. Als zij een pseudoniem kiezen, dan is dat om andere redenen dan de angst van hun voorgangers. Uiteindelijk is er maar één naam die ertoe doet, zegt dichter Jotie T’Hooft:

Namen

Ik draag ze als een doem.
Mijn stofnaam mens
Een mager woord, een woeker,
Een overschrijden van de grens.
Mijn eigen naam, die niemand kent
De som van al mijn trilling
Van mijn lot equivalent
Tegelijk mijn warmte en verkilling.
Plaatsnamen, zaaknamen. Liefdesnamen
Die nooit voorbij zouden gaan,
Waarvan sommige al vergeten zijn
Terwijl wij andere beramen.
Dat alles binnen de taal,
Keelklank, eeuwenoude kwaal:
Slechts één naam legt iets bloot
De eeuwenoude roepnaam Dood.

 

Uit: Verzamelde gedichten 1981 / Jotie T’Hooft


Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Hettie Marzak: