Er ligt een man op het bankje in de stationswachtruimte in spierwit pak en blauwe schoenen. Een feestganger die de tijd uit het oog verloren heeft. Het is zes uur in de ochtend, ik wacht op de eerste trein richting Zwolle. De man komt overeind, wrijft beide handen verwoed over zijn pukkelige en rode gelaat dat heftig contrasteert met zijn witte pak. Het woord pokdalig neemt bezit van mijn hoofd. De man in het witte pak zit nu voorovergebogen op de bank, ellebogen op knieën, hoofd in handen. Verwoed wrijft hij de kreukels van de nacht uit zijn gelaat (wangen knedend, neus plat drukkend, iets naar boven, voorhoofd glad strijken, gespreide vingers door haren, trekkend aan oren). Daar zit een glimp van het nachtleven, ik bespeur de magie van het ochtendgloren.

De Amerikaanse schrijfster Annie Proulx begint elke nacht om drie uur met schrijven. Tot een uur of zeven, dan zijn ‘the powerfull observation’ uren voorbij. Dan spelen behoeften op, moet je de dag in. Proulx schreef drie prachtige bundels over ranchers, cowboys, pioniers, loners in Wyoming. Waar vrouwen kinderen baren, (daar veranderde het vrouwenkiesrecht dat in 1864 al van kracht was in Wyoming niets aan), mannen de deur uitgaan om verdwaalde koeien te vangen, wilde paarden op te jagen of rodeo’s te rijden. Vaders sterven door ongevallen, moeders aan ziektes en kinderen door onwetendheid. Het is de achterkant van het beloofde land Amerika dat de schrijfster onder de loep neemt. Daar, waar de minder succesvolle levens gestald zijn.

Een jongen van zestien koopt voor honderd dollar een stukje grond voor zichzelf en zijn zwangere meisje van vijftien. Hij bouwt een hut met twee ramen, een deur en een tafel van in de lengte doorgezaagde boomstammen. Als er geen werk meer is, gaat de jongen op reis. Het meisje is een taaie, ze redt zich wel. Tot ze een miskraam krijgt en er geen levende ziel in de buurt is. Het enige wat ze heeft is een zilveren lepel, een familie-erfstuk van haar moeder. Daar graaft ze, liggend op de harde grond een ondiepe kuil mee om haar doodgeboren kindje in te leggen. Ze bloed dood en wordt na enkele seizoenen gevonden door een vriend van de jongen die een oogje in het zeil zou houden maar er niet was. De jongen is dan al gestorven aan een bloedvergiftiging ver van huis. Van elkaar hebben ze nooit geweten dat ze dood waren.

Proulx begint dit verhaal van Archie & Rose, 1885 met de proloog: Men denkt wel eens dat de pioniers die het land in kwamen, een lap grond kregen, een zwaar leven leidden, een stel kleine schooiertjes opvoedden en zo een ranchdynastie stichtten. Sommigen deden dat ook. Maar verreweg de meesten leefden kort en werden snel vergeten’.
Proulx verhalen over die levens brengt ze zonder een poging iets glad te willen strijken, het is Fine Just the Way It Is.

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem, ze leest de godganse dag en schrijft daarover. Maar niet te vaak.

 

Meer van Inge Meijer: