Paradepaardje van Polanen

Recensie door Daan Lameijer

Het beroemdste paard uit de wereldliteratuur moet dat van Don Quichot zijn. Rocinante, vrij vertaald ‘gammele knol’, is al te oud om te worden verwerkt in een stukje paardenvlees, laat staan het Iberisch schiereiland te doorkruisen. Toch drukt de Don zijn plan door en in zijn drieste waan een ridder te zijn, peigert hij het arme beest af. In Centaur galoppeert een soortgelijk nobel ros de Nederlandstalige canon binnen: Chris Polanen vertelt in dit nieuwe boek over de Surinaamse Gili (Guillaume) en zijn Hollandse, stokoude springpaard Norbert. Ze kunnen elkaars gevoel overnemen en begrijpen.

In een verzengend Paramaribo traint het duo voor het wereldkampioenschap springconcours, waarin het geldt als één van de outsiders; een echte dark horse. De winnaar strijkt drieduizend euro op en daarmee wil Gili dierengeneeskunde in Nederland studeren. Hiervoor moet hij eerst wat hindernissen trotseren op het vlak van liefde, vriendschap en familie. En hoe belegen deze drie motieven ook klinken, Polanen ontstijgt moeiteloos het niveau van een blasé streekromannetje.

Uit Centaur spreekt liefde voor Suriname, die zich in tegenstrijdige gevoelens uit. Het boek walmt van machismo, dat menig man parten speelt. Polanen geeft de pijn van Suriname weer via drie zeer interessante bijfiguren, van wie Gili eveneens zielsveel houdt. Tot slot hanteert Polanen een even nuchtere als verleidelijke schrijfstijl, waar hij het sentimentele repertoire niet schuwt. En hoewel dit soms ergernis oproept, vallen zijn vergalopperingen te verdedigen: ik-verteller Gili is namelijk adolescent en adolescenten blinken niet uit in nuance.

‘En nu begrijp ik het: waarom mannen vrouwen slaan’

Gili heeft een probleem. Hij valt op twee vrouwen tegelijk: Maaike uit Nederland, ‘een elfachtig sprookjeswezen’ en Louise uit Frans-Guyana, ‘een Caraïbische Sophia Loren’, bovendien zijn concurrente tijdens het WK. Tot overmaat van ramp is Gili maagd, maar aan de sterke seksverhalen van zijn Surinaamse leeftijdgenoten heeft hij niets: ‘Vervolgens liepen de bordeelverhalen uiteen. (…) Het bleek plotseling heel moeilijk het condoom om te krijgen. Waar. Door de spanning werd de toli slap. Waar. (…) Behalve parfum waren er andere, vreemde geuren. Waar. (…) Hij hield het tien, twintig, dertig minuten vol. Bullshit. Hij deed het twee, drie keer achter elkaar. Bullshit. De vrouw kwam klaar. Bullshit. Bullshit. Bullshit.’ 

Gili trekt fel van leer tegen zijn mannelijke landgenoten die continu het cliché van de Surinaamse, afwezige vader bevestigen. Hoewel Gili zich hoffelijk, als volleerd ridder, opstelt richting dames, zit het machismo eveneens in hemzelf. Zo plaatst hij Louise als volgt op een voetstuk: ‘barstend van sensualiteit, zich nog niet bewust van de onvoorstelbare ravage die ze zal aanrichten in al die nog onwetende, dommige mannenharten.’ Kortom: een aantrekkelijke vrouw is gevaarlijk en brengt niets dan pijn. Die pijn raak je overigens nooit meer kwijt, want huilen maakt je zwak. Om nog maar te zwijgen van de grootste doodzonde voor mannen: praten over je gevoel. ‘In Suriname kan je nog beter vertellen dat je door de duivel bezeten bent dan toegeven dat je een psycholoog bezoekt.’

Suriname hurts

‘Was sich liebt, das neckt sich’, luidt het Duitse gezegde. Oftewel: waar je van houdt, dat doet zeer. Gili houdt van Suriname, hoezeer het zijn inwoners ook kwetst. Vooral vrienden Shane en Hugo en vader Pieter ervaren de keerzijde van het land. 

Shane, ooit ’s lands grootste springtalent, is inmiddels staljongen op Norberts manege. Na een tegenvallende carrière bekommert niemand zich om hem en hij glijdt af naar de rand van de maatschappij: ‘Nu is hij een junkie. In Suriname kun je beter een hond zijn dan een verslaafde.’ Hugo, voormalig zwemkampioen, kan fluiten naar zijn zwemloopbaan als hij in de Verenigde Staten met een republikeins vriendinnetje wordt opgepakt: ‘Hoe dan ook kwam het neer op seks of een relatie tussen een zwarte jongen zonder geld en een wit meisje met geld. Dan maakte het niet meer uit hoe hard de zwarte jongen kon zwemmen.’ In de knop gebroken bezwijkt Hugo aan lymfekanker door de gebrekkige gezondheidszorg in Paramaribo. 

De grootste schlemiel is Gili’s vader. Pieter ambieert namelijk een politieke opmars waarin hij de Baas, vermoedelijk Bouterse, wil afzetten. Plotseling wordt hij verdacht van een bomaanslag op de president. Waar Gili zich in eerste instantie afzijdig houdt van zijn vader, begrijpt de zoon hem in gevangenschap steeds beter: ‘Na Nederland heeft onze eigen elite een puinhoop van het land gemaakt en (…) het laatste restje waardigheid dat we hadden, aan flarden geschoten en samen met al het bloed weggespoeld.’ Van Gili’s aanvankelijke afkeer van zijn vader om diens veelwijverij, ijdeltuiterij en uitsloverij blijft weinig over, zeker als zijn ouweheer de duurste prijs betaalt voor rebellie…

Centaur: man en paard noemen

Stilistisch toont Polanen zich een enfant terrible. Doorgaans etaleert de schrijver een verfijnde soberheid, als springruiter die snel én doelgericht naar het eindpunt raast. Bij het herkennen van racisme noemt hij man en paard, zonder ook maar een moment te prediken. Op bezoek bij zijn vader in de gevangenis merkt Gili op: ‘Voor me staat een jonge Javaanse vrouw met een klein meisje op de arm. (…) Ik doe mijn best niet te analyseren of ze een creoolse vader heeft, maar dat gebeurt binnen een seconde. Donkere huid en dik, krullend haar. Ja dus.’ Zonder expliciet te vertellen of te oordelen over racisme dat in individuen rondwaart, beseft de lezer: zelfs wie zich als kleurenblind of onbevooroordeeld beschouwt, is door een koloniaal systeem volgepropt met raciale overtuigingen. 

Sporadisch zoekt Polanen te veel naar rauwe emotie in een scène die op zich al genoeg ontroert. Uitgerekend als Louise op Norbert rijdt, een hoogtepunt uit Centaur, poogt Polanen een extatische lichaamuittreding bij haar te verwoorden. Zo krijgt de Cervanteske distantie tot de inhoud ineens een mierzoete, Sturm-und-Drangachtige bijsmaak à la Julia van romanticus Rhijnvis Feith. Na de eerste vrijpartij met Louise wil Gili meer over die uittreding weten: ‘Ze sluit haar ogen en haalt diep adem. ‘Ik ging van het leven naar… iets anders. Een soort niets. Vol mogelijkheden. Er zat alles in wat er gebeurd was en nog moest gebeuren. Mijn moeder, mijn vader, hun ouders en voorouders. Verdriet. Vreugde. Geboorte. Dood. Ontelbare keren. Te veel om te weten.’’ Ter verdediging: de jongvolwassenheid van de twintigers leent zich dan wel weer uitstekend voor Sturm und Drang.

Suriname: niet over het paard getild

Eén passage verwoordt de trots van Suriname in het bijzonder. Als Franse ruiters tijdens de springwedstrijd van hun paard vallen, beperken ze zo snel mogelijk hun gezichtsverlies. Hoe anders is dat bij Surinamers: ‘Ze slagen erin lachend op te krabbelen en naar het publiek te zwaaien (…). Generaties Surinamers voor ons zijn met deze aanpak blijven lachen, hoe uitzichtloos het leven ook was. Het is onze zwakte en onze kracht.’

 

 

Omslag  -
Verschenen bij: Lebowski Publishers
ISBN: 9789048854912
352 pagina's

Geef een reactie





 

Meer van Daan Lameijer:

Verwant