Over het spoor (2)

Schrijver Édouard Louis riep in Buitenhof op tot revolutie. Wat een ronkend woord, zegt een oude stem in mijn hoofd. Vanzelf word ik van Louis’ oproep tot een politieke omwenteling geleid naar de verre stemmen van dode familieleden. Allemaal sociaaldemocraten, PvdA-stemmers. Vroeger. Door jaren van neoliberalisme en groeiende welvaart verdween het vraagstuk machtsongelijkheid en klassenstrijd als een jeugdvriend uit mijn dagelijks leven. Édouard Louis stoft dat oude verhaal af: Voor de arbeidersklasse is politiek een kwestie van leven en dood. Ik ben terug in de jaren zeventig en tachtig. Familieverjaardagen, ooms en tantes die in een blauwe walm bij elkaar aan een lange eettafel zitten. Ze debatteren, schreeuwen, vloeken en laten onder het geroffel van hun vuisten de met sigaretten en sigaren gevulde glazen trillen. Ik tril mee van alle opwinding. 

Ze noemden zich socialist. Desondanks werd bij dat soort familiegelegenheden de man die hen politiek vertegenwoordigde, genadeloos gefileerd. Joop den Uyl. De mompelaar. Morsig ook. Geen partij voor die linkmiegels van CDA en VVD. Toch bleef men op hem stemmen. Hij was tenslotte wel onze morsige en mompelende man. Er kleefde aan de linkse beweging een ingewikkelde mengvorm van trots en schaamte. De running gag was een bekende uitspraak van een vakbondsman. Een oom stond dan half op uit zijn stoel, maakte zich breed, balde zijn vuisten en riep: ‘Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam!’ Lachsalvo. Wat betekende dat nou, naar de Dam gaan? En dan? Dan ben je daar? Je hoefde bij ons niet aan te komen met ronkende woorden. Ronkende woorden leidden óf naar marcherende laarzen óf naar teleurstelling, maar veroorzaakten vooral gêne. Toch bleef men lid van de vakbond.

Bij het aantreden van Wim Kok, tweede helft jaren tachtig, kwamen de eerste barstjes in de partijtrouw, een trouw die helemaal verdween met de opkomst van Fortuyn en de partijen die in zijn kielzog aan de horizon verschenen. De openlijke, trotse stem voor de sociaaldemocratie werd een mompelend en omfloerst uitgebrachte stem op een partij ‘that dare not speak its name’. Eenzelfde proces van veranderend stemgedrag binnen de arbeidersklasse in Frankrijk beschrijft Didier Eribon in Terug naar Reims. Daar zwierven de Franse stemgerechtigden massaal van de Communistische Partij naar het Front National. Eribon is een belangrijke inspirator voor het werk van Édouard Louis. Allebei komen ze uit een arbeidersmilieu, zijn ‘klassenmigrant’, en allebei zijn ze homoseksueel (daar kom ik een volgende keer op terug).

Terug naar Hilversum, over het spoor. Mijn sociaaldemocratische familie predikte geen revolutie. Daarvoor waren ze te veel gehecht aan rust, reinheid en de parlementaire democratie. De herinneringen aan de oorlogsjaren speelden daarin een belangrijke rol. Toch zouden ze op de laatste familieverjaardagen, waar de glazen met sigaren en sigaretten inmiddels waren verdwenen – elkaar toeschreeuwen dat het in Nederland misging. Ze zijn nu bijna allemaal overleden. Ze hielden zich trouw aan de statistiek dat laagopgeleiden vele jaren eerder dood gaan dan hoogopgeleiden. Leefden ze nog, dan zou de woede over woningnood, toeslagenaffaire, aardbevingsschade vrij spel krijgen. Het is goed dat die jeugdvriend weer aan tafel schuift.

 

Lees hier Over het spoor (1).


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekenen.