Zowel binnen- als buitendijks kan je fietsen naar Greetsiel. Waar je in deze streek ook naar binnenstapt, een café, een ijssalon of bibliotheek, altijd hangt er een kalender met een foto van de roodgele vuurtoren op de dijk bij Pilsum. En niet alleen op kalenders. Op stropdassen, wijzerplaten van polshorloges en op het briefpapier van de plaatselijke overheid. Nu ik vlakbij die toren sta, geen kunst maar kitsch, verbaas ik me over de drukte hier. Dat ding is ronduit lelijk. Ik fietste net buitendijks, genoot van de kleuren van de kwelders, dan weer groen grijs dan weer tinten geel, stopte bij een informatiebord, las dat dit een beschermd natuurgebied is en dat hier de ‘Strandaster mit ihre Untermieter’ goed gedijd. Het woord ‘Untermieter’ leidde me even af. Ik dacht aan ‘onderverhuur’, maar bedoeld wordt de kevers die zich tegoed doen aan de wortels van de aster.

En ineens zie ik hem in de verte staan: de Ottoturm, genoemd naar de Duitse komiek Otto Waalkes die in deze streek zijn film Der Ausserfriesische maakte. In zijn aanwezigheid werd hier het eerste burgerlijk huwelijk gesloten.
Jonge stelletjes maken selfies. Een moeder dirigeert, in een mengvorm van Duits en Turks, haar zoon en zijn vriendin in de richting van de toren. Zij gebaart en roept dat ze hun hoofden dichtbij elkaar moeten houden, voor de jongeman lijkt dit niet vanzelfsprekend. De Ottoturm precies achter hen. Ja, stilstaan nu, commandeert ze. Aan haar gebaren zie ik wie er straks in dat huwelijk de baas wordt.
Direct daarna telefoneert het meisje, naar een vriendin vermoed ik, en vertelt opgewonden wat er zonet gebeurd is. Ooit ging je, ook in Duitsland denk ik,  naar het stadhuis voor ondertrouw, dat was al een klein feestje. Nu lijkt een foto bij de Ottoturm het wettige bewijs. Overigens is het hier niet altijd vreugde en geluk. In een aflevering van de krimi Tatort beroofde boven op de toren de hoofdverdachte zich van het leven.

Het haventje van Greetsiel – wat is het druk hier, ‘Seniorenportion € 6,50’ lees ik op een bord bij een overvol restaurant – ligt prachtig aan een inham van een grote baai. In de verte de golvende bochten van de dijken. Tot aan de haven loopt een steile dijk waarop twee mannen vol overgave aan het werk zijn met een elektrische grasmaaier. De magere man die de grasmaaier duwt en trekt, beweegt zich springerig en nerveus, vergeet geen enkel stukje gras. Hij schreeuwt paniekerig tegen een forse man die met een dik touw voorkomt dat de grasmaaier uit zichzelf de dijk afrijdt. Een scene uit een film van Buster Keaton.

Op de terugweg zie ik de kerk van Groothuusen liggen. Vanaf de provincie Groningen tot aan het noorden van de Baltische zee lijken de kerken op elkaar. Het interieur van deze kerk doet me denken aan die op het eiland Farö, waarachter de cineast Ingmar Bergman en zijn vrouw Ingrid begraven liggen.
Een vrouw speelt op het orgel. Als ze stopt applaudisseer ik, ze draait zich om en vraagt waar ik vandaan kom. ‘Die Niederlände,’ roep ik. Ze steekt haar duim omhoog. ‘Mein mann ist auch ein Niederländer.’ Ze zegt dat ze nog niet perfect speelt en dat ze nu gaat oefenen op ‘Jesus bleibt meine Freude’ van Bach, dat wordt vaak gespeeld aan het begin van de dienst. Ze zet in. Ik herken het gelijk en neurie mee. Al voor de tweede keer op deze reis voel ik me thuis in een kerk.


Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

 

foto’s: Anneke van Kroonenburg