Oprecht toneel

Omdat ik genomineerd was voor een prijs zou er een jongen bij me langskomen om een videoportret van me te maken. Na afloop van de bekendmaking van de nominaties kwam hij naar me toe om een datum af te spreken. Hij zei: ‘Ik wil ook graag een paar shots van je werkplek maken, kan dat?’
‘Mijn werkplek,’ zei ik, denkend aan de kamer waar ik schreef, en las, en sliep, en filmpjes maakte, en sinaasappels at, en mijn plantjes water gaf. ‘Ja, natuurlijk kan dat.’
‘En misschien heb je wel een mooie grote boekenkast?’
‘Nou,’ zei ik, ‘het is meer een boekenplank. Maar wel best een lange.’
‘Mooi,’ zei hij. ‘En… hoop je dat je gaat winnen?’

Ik had een oom – mijn tante is inmiddels van hem gescheiden en noemt hem consequent ‘die gek’ – die altijd weigerde om ‘goed’ te zeggen als de mensen hem vroegen hoe het ging. Hij geloofde namelijk niet dat de vraag oprecht was. Ze vroegen het omdat het hoorde, dus hun interesse was niet echt. Mijn ouders kunnen nog altijd verontwaardigd raken over zijn naïeve cynisme. Dat het sociale verkeer een spel is waarin veel uitspraken vastliggen, betekent niet dat we niet oprecht kunnen zijn als we het spelen. Als er vroeger bij mijn vader thuis onverwacht bezoek de voordeur naderde, kon mijn oma uit de grond van haar hart verzuchten: ‘Gadverdamme, daar heb je die lui weer.’ Om die lui vervolgens binnen te laten met een welgemeend ‘Hé lui, wat gezellig!’ Wij zijn een familie van bevlogen oprechte toneelspelers.

Maar bij deze vraag twijfelde ik. Wat was het vastliggende antwoord op de vraag of ik wilde winnen, gegeven dat behalve de maker van mijn videoportret ook een jurylid, een mevrouw van de organisatie en de twee andere genomineerden meeluisterden? Als beschaafd persoon kon ik dan ook niet zeggen dat ik die paar duizend euro best kon gebruiken. Voor de mevrouw van de organisatie en het jurylid was het misschien wel prettig als ik zei dat ik hoopte dat ik won, om zo het gewicht te erkennen van de prijs waarvoor zij zich zo hadden ingezet. Aan de andere kant had het jurylid net tegen me gezegd dat het eigenlijk een onmogelijke opgave geweest was, een gevalletje appels en peren; zij had ons liever genomineerd zonder een winnaar aan te wijzen. En de voorzitter van de organisatie had in zijn toespraak genoemd dat men het wedstrijdelement niet te belangrijk wilde maken, omdat het er vooral om ging het werk van alle genomineerden onder de aandacht te brengen bij een groot publiek. Als ik uitsprak dat ik op winst hoopte, zou ik kunnen overkomen als iemand die niet dankbaar was voor deze aandacht. Daarbij wilde ik liever niet tegen de andere genomineerden zeggen dat ik wilde dat zij zouden verliezen. Dus ja.

‘Het zou natuurlijk een enorme eer zijn om te winnen,’ zei ik bevlogen en oprecht. ‘Maar ik ben al heel erg blij dat ik ben genomineerd. Dat is eigenlijk al een prijs op zich.’

 


Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.